Kattekop

De Geest van Pinksteren wil mensen niet van zichzelf doen vervreemden maar mensen meer mens maken, zoals bedoeld door de Schepper. Hierover gaat het verhaal 'Kattekop'.

 

Als Prinses Miesje zong, zwegen de vogels in de paleistuin om naar haar te luisteren en probeerden de nachtegalen even mooi te zingen. Dat lukte hun nooit. Iedereen vond dat Miesje de mooiste stem had. Behalve haar stiefmoeder. Die had niet alleen een hekel aan Miesje’s stem maar ook aan Miesje zelf. Nu was die stiefmoeder een gemene stiefmoeder. En dat niet alleen, zij was ook nog een gemene tovenares. Vandaar dat zij Miesje betoverde en haar hoofd veranderde in een kattekop. Miesje kon nu niet meer zingen, alleen nog miauwen. Dat deed ze heel klagelijk, want iedereen riep haar nu na: ‘Kattekop’. De koning vond het maar niks dat zijn dochter een kattekop had. Wat moet je met zo'n prinses? Er zou geen prins meer met haar willen trouwen. Daarom gebood hij dat Miesje hard moest werken in de kelders van het paleis: emmers sjouwen, hout voor de haard halen en ander werk dat zo zwaar was dat Miesje helemaal kromgroeide.

Niet lang erna kwam er een prins langs. Hij had weleens gehoord dat als een prins een betoverde prinses kust, zij verandert in een mooi meisje en dat hij dan met haar zou mogen trouwen. Dat gaat in sprookjes meestal zo. Maar toen de prins Miesje met haar kattekop zag, kon hij alleen maar proesten en niezen. Hij kon niet tegen katten.      

Een andere prins wilde ook met een kus de betovering van Miesje verbreken. Maar toen hij het meisje met haar kattekop en kromgegroeide rug zag, deinsde hij verschrikt terug. Zo’n monstertje kon toch nooit een prinses zijn geweest!       

Toen kwamen er geen prinsen meer. Miesje moest hard werken en veel sjouwen. Ze groeide nog krommer. Iedereen vergat dat ze ooit een prinses was geweest. Zelfs Miesje dacht dat het een droom was dat ze ooit een prinsesje met een gouden stem was geweest.

Op een dag kwam er een oud mannetje bij het paleis. Hij bedelde om wat brood. De lakeien stuurden hem weg en dreigden de honden achter hem aan te sturen. Het oude mannetje strompelde weg, krom en mank. Alleen Miesje had medelijden met hem. Ze liep de man achterna. ‘Hier,’ zei ze, ‘ik heb wat brood en appels voor u.’ Het oude mannetjes lachte vriendelijk. Hij liet zijn gerafelde mantel vallen en ineens rees er een engel in een wit gewaad voor Miesje op. ‘Dankjewel,’ zei de engel, jij bent de enige die goed voor mij is. Daarom mag je mij je grootste wens vertellen. Je grootste wens zal ik vervullen.’    

Miesje dacht na over wat ze zou wensen. ‘Ik zou wensen dat mijn emmers kleiner waren, want die grote zijn zo zwaar.’ De engel keek haar aan en sprak: ‘Die wens vervul ik niet. Ik vroeg naar je grootste wens.’ Miesje dacht weer na: ‘Ik verlang dat ik sterker word, zodat ik beter de emmers kan sjouwen.’ De engel antwoordde ‘Die wens vervul ik niet. Ik vroeg naar je grootste wens.’ Maar Miesje kon geen wens meer bedenken.

Toen blies de engel op een fluitje. Om de hoek verscheen een prins op een paard. Een wit paard natuurlijk. Hij stapte af en kuste Miesje zonder erop te letten dat haar snorharen nogal kriebelden. De prins zette haar op zijn paard en nam haar mee naar zijn kasteel. Onderweg hielden ze stil bij een meertje om te drinken. Miesje boog voorover naar het water en zag haar gezicht: de kattekop was verdwenen. Ze begon weer te zingen, van geluk natuurlijk. De vogels zwegen. De prins keek heel verliefd. De engel zweefde boven hen. Miesje zwaaide naar de engel, die beter dan zij had geweten wat haar grootste wens was.