Het witte paard met het zwarte hart

Er was eens een zwart paard met een wit hart. Dat hebben de meeste zwarte paarden en daardoor zijn ze heel lief. Ze klagen niet als je op hen gaat zitten en gaan gewoon een eindje met je rijden. Nu heb je ook witte paarden met en wit hart. Over hen valt ook niks kwaads te vertellen. Maar ooit was er een wit paard met een zwart hart. Liever zou ik niks over dat paard vertellen, maar ik doe het toch.

Dat witte paard met het zwarte hart beet, trapte, steigerde en hinnikte ’s morgens heel vroeg zelfs de vroegste vogels wakker. Ik hoef je niet te vertellen hoe zwart het hart van dat witte paard was.

De baas van dat witte paard had een hekel aan dat beest en sloeg hem elke dag. Ook de schoolkinderen die elke dag langs de wei liepen, hadden een hekel aan hem. Ze gooiden stukken aarde en steentjes naar het paard. Je begrijpt dat dat paard dan nog bozer werd dan hij al was. Dan probeerde hij te bijten en te trappen, en begon te steigeren en hinnikte zo hard dat zelfs de mollen en de wormen diep in de grond wakker werden.

Op een dag kwam er een paardenvrouw langs. Die wist niet alleen heel veel van paarden, maar ze hield ook van paarden. Van alle paarden. Van zwarte paarden met een wit hart en van witte paarden met een zwart hart. Waarom ze van hen hield? Dat wist ze zelf ook niet. Dat was al van kind af aan zo geweest.

Toen de paardenvrouw langs het weiland met het witte paard en zijn zwarte hart liep, zag ze hoe het geplaagd werd door de kinderen en geslagen werd door zijn baas. Ze ging naar zijn baas en vroeg of ze het witte paard mocht kopen. De baas was maar wat blij dat hij ervan af kon. Hij verkocht het beest graag aan de paardenvrouw.

De paardenvrouw nam het paard mee aan een leidsel. Het begon meteen te bijten, te trappen, te steigeren en te hinniken, zo hard dat de egels uit hun winterslaap werden gewekt. Maar de paardenvrouw bleef rustig. Ze streelde het paard. Ze kalmeerde het paard. En ze keek in zijn ogen. En toen ze in zijn ogen keek, keek ze in zijn hart. Dat is het aardige van ogen, dat je daardoor in iemands hart kunt kijken. En weet je wat ze in dat zwarte hart zag? Heimwee. Het witte paard had zo’n heimwee naar zijn moeder die hij al zo lang niet had gezien. Nu wist de paardenvrouw alles van paarden, ook wie hun moeder was. Ze bracht het witte paard terug naar zijn moeder. Hij was zo gelukkig. Hij stopte met bijten, trappen en steigeren. Niet met hinniken. Hij hinnikte nu met zoveel liefde en plezier, dat de vogels, de mollen, de wormen en de egels glimlachten in hun slaap.

Ach, dit soort dingen kunnen gebeuren als er iemand langskomt die van je houdt.