Het schilderij van de hemel

Er was eens een koning die een beetje gek was. Gelukkig zijn alle mensen een beetje gek, want anders zou het saai worden. Deze koning was, om precies te zijn, gek op schilderijen. Het hele paleis hing vol. Behalve een muur waar nog drie lege plekjes waren. Nu hingen er in het paleis schilderijen over van alles en nog wat en over zus en zo, maar er ontbraken nog schilderijen over de hemel. Vandaar dat de koning de drie beroemdste schilders van het land de opdracht gaf een schilderij over de hemel te maken.

Nadat de schilderijen klaar waren, ging de koning ze ophalen. Hij reed met zijn koets het paleis uit en was meteen verdwaald. Dat heb je als je nooit buiten het paleis bent geweest en ook nog een beetje gek bent. Gelukkig kwam hij een meisje tegen dat de weg wist. Ze wees met haar hand: die kant op. Zo bereikte de koning het huis van de eerste schilder. Wat hij geschilderd had? Hij had een schilderij gemaakt van de sterren. ‘Daar ergens tussen de sterren, daar moet de hemel zijn,’ zei hij. ‘Nou,’ zei de koning, ‘met mijn verrekijker heb ik die hemel daar nooit gezien, maar het is een mooi schilderij. Ik neem het mee.’

De koning ging verder naar de tweede schilder. Hij nam de weg langs de rivier. Onderweg viel hij in slaap en uit de koets, plons, in de rivier. Gelukkig kwam er een boer langs die met zijn sterke handen de koning uit de rivier viste. Zo kon de koning voort en bereikte het huis van de tweede schilder. Wat hij geschilderd had? Hij had een schilderij gemaakt van een mooie weide met lammetjes en kleurige madeliefjes. ‘Hum,’ zei de koning, ‘ik vind het wat zoetig maar dankzij die madeliefjes ook wel lief. Ik neem het mee.’

De koning ging voort naar de derde schilder. Ineens sprong er een jong hert op de weg en botste, boem, tegen de koets. De koning stapte uit en zag dat het beestje gewond was. Een lieve oude dame had het ook zien gebeuren. Ze kwam naar buiten en tilde het dier op. ‘Ik zal het thuis wel verzorgen,’ zei ze, ‘het is bij mij in goede handen.’ De koning gaf haar geroerd een kus, zo dankbaar was hij voor haar goedheid. Een beetje gek dat een koning dat doet, maar ik had al verteld dat deze koning een beetje gek was.

Eindelijk kwam de koning bij het huis van de derde schilder. Wat hij geschilderd had? Een schilderij met daarop twee handen. ‘Wat?’ zei de koning verbaasd, ‘moet dat de hemel voorstellen?’ De schilder knikte: ‘Weet u nog dat meisje, dat haar hand uitstak om u de weg te wijzen? En weet u nog die boer die met zijn sterke handen u uit het water redde? En die vrouw bij wie dat gewonde hert in goede handen is? Die handen, die zijn hemels.’ ‘O,’ zei de koning, ‘ik dacht dat de hemel iets van na dit leven was.’ De schilder glimlachte: ‘Volgens mij zijn we niet alleen na dit leven maar ook nu al in goede handen, in die van God.’

De koning nam ook dit schilderij mee naar huis. Hij hing ze alle drie op in zijn paleis en vond ze allemaal mooi. Maar dat schilderij met die handen vond hij het allermooist. Nog altijd, als hij ernaar kijkt, wordt hij een beetje blijer. Is dat nu een beetje gek of niet?