Het kromme mannetje

Er was eens een krom mannetje. En als ik zeg ‘krom’, dan bedoel ik echt krom. Zijn kin sleepte over de grond, zo krom. Hoe dat kwam? Tja, hij had een zware last te dragen. Niet één, maar wel meer. Hij had ooit als jongetje een koekje uit de koektrommel gestolen. Daar had hij last van. En die last drukte op zijn schouders. Hij had ooit een vriendje in de steek gelaten. Daar had hij ook last van. En die last drukte ook op zijn schouders. En hij had weleens wat uit een winkel gestolen. Wel vaker trouwens. En hij had iemand geslagen, zo hard dat die naar het ziekenhuis moest. En daar had hij allemaal last van en al die last drukte op zijn schouders. Zo kwam het dat hij zo krom was geworden.

Het kromme mannetje slenterde over de weg. Hij kwam de wijze uil tegen. Die zag hoe krom het mannetje was en hij zag ook al die lasten op zijn schouders. De uil was niet alleen wijs maar ook streng. ‘Eigen schuld, dikke bult,’ zei de uil. Meer niet. Misschien kwam dat omdat hij vond dat hij zelf heel erg aardig en wijs en goed was en nooit fouten maakte. Je ziet, als je zo krom bent heb je niks aan een uil.

Het mannetje liep verder en kwam de mol tegen. De mol zag de lasten niet op de schouders van het mannetje. Hij begreep daarom niet waarom het mannetje zo krom liep. Een mol ziet nu eenmaal niet veel. Dat heb je als je altijd maar onder de grond leeft. Je ziet, als je zo krom bent heb je niks aan een mol.

Het kromme mannetje ging verder en kwam een zonnebloem tegen. Hij zag hoe hoog en lang en recht de zonnebloem was. ‘Zonnebloem, heb jij geen lasten te dragen? Hoe kan het dat je zo hoog en lang en recht bent?’ De zonnebloem wilde hem wel vertellen hoe dat kwam: ‘Ik houd mijn gezicht steeds op de zon gericht. Het licht en de warmte van de zon doen mij goed en houden mij hoog en lang en recht.’ Het mannetje knikte maar begreep het niet.

De zon begreep het wel. Hij had medelijden met het kromme mannetje. Op een dag, toen even niemand keek, is de zon afgedaald naar het mannetje. Hij gaf hem een zoen op zijn hoofd, op zijn kruin. Het mannetje keek omhoog om te zien waar die zoen vandaan kwam. Hij zag niets. De zon stond al weer hoog aan de hemel. Hij keek weer naar beneden, maar ontdekte ineens dat hij hoog en lang en recht was geworden. Hoe kon dat? Ach, als je heel krom bent heb je niks aan een uil of een mol. Wel aan de zon. En die kan meer dan je denkt.