Het hart van God

Leven na de dood? Gelovige mensen houden het erop dat de gestorvenen bij God zijn. Maar waar is dat? Wie kan dat vertellen? In Gods hart misschien?

 

Soledad liep niet meer zo rechtop als vroeger. Zij lachte niet meer zo helder als zij anders deed. Haar ogen vertelden van haar verdriet om haar vriendin, Esperanza. Drie weken geleden was zij gestorven, haar beste vriendin, met wie zij zoveel plezier had gehad. Samen hadden ze gespeeld, gehoopt, gehuild. Soledad voelde zich alleen. Waar zou Esperanza nu zijn?           

‘Weet jij het?’ vroeg Soledad aan de reiger. Die stond altijd zo droevig en stil aan de waterkant. ‘Weet jij waar mijn gestorven vriendin is?’ De reiger schudde zijn kop: ‘Vraag het aan de uil, die schijnt nogal wijs te zijn.’        

Soledad ging naar de uil en vroeg hem waar Esperanza was. De uil keek haar aan en sprak: ‘Van oudsher zegt men dat de doden in het hart van God zijn. Daar moet je volgens mij je vriendin zoeken.’ ‘In het hart van God?’ peinsde Soledad, ‘maar waar is dat dan?’ De uil schudde zijn kop: ‘Ik weet het niet, maar vraag het aan de valk, die heeft scherpere ogen dan ik. Misschien dat hij het hart van God ergens heeft gezien.’      

Soledad zocht de valk op en vertelde dat zij, om Esperanza te vinden, moest weten waar het hart van God was. ‘Ik heb het nooit gezien,’ zei de valk, ‘maar ik wil je wel helpen te zoeken.’ Eerst gingen ze naar een kerk. De koster zocht met hen mee, in de kelders, de toren, de tuin. Maar in de kerk was het hart van God niet. Daarna gingen Soledad en de valk naar een school. Geen gewone school maar een hogeschool, waar geen gewone geleerden waren maar hooggeleerden. Op de school met al die geleerden was het hart van God ook niet. Vervolgens zochten Soledad en de valk overal, in alle huizen, op zolders en in kelders. Maar nergens vonden de het hart van God. ‘Ik denk,’ zei de valk, ‘dat je naar de adelaar moet gaan. Er is niemand die zo’n scherpe blik heeft als hij. En hij woont zo hoog in de bergen dat hij heel de wereld kan overzien.’        

Soledad klom naar de adelaar. ‘Adelaar, ik zoek mijn vriendin Esperanza. Ze moet in het hart van God zijn. Maar dat hart van God kan ik nergens vinden.’ De adelaar glimlachte: ‘Jullie mensenkinderen zijn een beetje dom. Weten jullie dan niet dat Gods hart zo groot is als de wereld?’ Soledad keek verbaasd: ‘Maar waar kan ik Esperanza vinden?’ De adelaar tilde Soledad voorzichtig op en zette haar op zijn rug. Hij vloog met haar over de bossen en de velden, waar de bloemen de aarde kleurden. Ineens zag Soledad het, in de glimlach van de bloemen: een glimp van de glimlach van Esperanza. Ze vlogen over zee. In de golven zag Soledad even het golvende haar van haar vriendin. Ze vlogen naar de horizon, naar het avondrood van de zon. In dat avondrood zag Soledad de rode blosjes van de wangen van Esperanza. De twinkeling van de sterren was de twinkeling van haar ogen. In de warmte van de zon en de stilte van de maan, overal was Esperanza. Want Gods hart is zo groot als de wereld.

Nu Soledad weer thuis is, weet ze dat Esperanza dichtbij haar is; altijd eigenlijk. Mocht je Soledad tegenkomen, je zult zien dat ze al weer wat meer rechtop loopt.