Het gebed van de koningin

De koningin genoot niet van haar kopje mosselthee. Van mosselthee werd ze meestal zo heerlijk rustig, maar deze middag was dat niet het geval. Dat was ook wel te begrijpen: haar lievelingsketting was kwijt, de parelketting met het zilveren bedeltje en het gouden slotje. De koningin was zo in de war dat het kuiltje in haar kin verdwenen was. Dat vond haar man de koning niet prettig, want hij was verliefd geworden op juist dat kuiltje. Hij had daarom ijverig geholpen met het zoeken naar de parelketting, maar ze hadden die niet gevonden.

Nu was de koning een vroom man. 'Bidden maar, meisje,' had hij tot de koningin gezegd, 'bid maar dat je je ketting terugvindt.' 'Helpt dat dan?' vroeg de koningin, die wat minder vroom was dan haar man. ‘Bidden helpt altijd,’ meende de koning. Daarom knielde de koningin voor haar bed en begon ijverig te bidden.

Terwijl de koningin aan het bidden was, dacht zij aan haar onderdanen. Eigenlijk dacht zij nooit aan haar onderdanen, maar nu ineens wel. Zomaar. De koningin kreeg een gedachte waarvan zij hevig schrok: 'Misschien waren dat er buiten het paleis wel vrouwen die helemaal geen parelketting hadden, zelfs geen zilveren bedeltje of gouden slotje!' De koningin stond meteen op, liep naar de schatkamer, haalde er een kist met parelkettingen op en ging naar buiten. Elke vrouw zonder ketting die de koningin tegenkwam, kreeg er één. De vrouwen waren blij verrast. En de koningin? Zij wist niet hoe het kwam: haar gezicht leek wat minder gespannen. Maar het kuiltje in haar kin was nog niet teruggekeerd.          

De koningin ging terug naar haar slaapkamer en zette haar gebed om de parelketting voort. Ineens dacht zij aan haar kinderen. Hadden de prinsjes en prinsesjes al gegeten? De koningin stond op en vond na een tijdje zoeken haar kinderen in de keuken bij de dienstmeid en de kok. Ze zaten gezellig met z'n allen aan tafel te eten en te babbelen. 'Eten de kinderen hier altijd?' vroeg de koningin verbaasd. 'Ja,' antwoordde de dienstmeid, 'u zegt dat u het altijd te druk hebt voor de prinsjes en prinsesjes. Daarom geven wij hun hier in de keuken te eten.' De koningin werd rood van schaamte. Ze had nog nooit haar kinderen te eten gegeven, laat staan dat ze met hen aan tafel had gezeten. Ieder schoof een eindje op en de koning kwam erbij zitten. Ze had nog nooit zo'n gezellige maaltijd meegemaakt. 'Vanaf nu kom ik elke dag met mijn kinderen hier eten,' besloot de koningin. Ze voelde zich blij vanbinnen en haar gezicht leek wat minder gespannen. Maar het kuiltje in haar kin was nog niet teruggekeerd.

Na de maaltijd knielde de koningin weer voor haar bed en bad voort om haar verloren parelketting. Plotseling dacht ze aan haar adelaar. De koningin had hem als jonge vogel gekregen als verjaardagscadeautje. Dat was al jaren geleden. 'Hoe zou het met hem zijn?' vroeg de koningin zich verschrikt af. 'Zou het arme dier nog steeds in zijn kooitje zitten?' Ze stond op en liep naar de tuin. Achterin de tuin zat de adelaar in zijn gouden maar veel te kleine kooi. De koningin kreeg tranen in haar ogen toen ze de grote, prachtige vogel met droevige ogen in zijn kooi zag zitten. Ze opende de deur van de kooi en liet de vogel vrij. Hij spreidde zijn vleugels uit en verdween in de richting van de hoge bergen. De koningin keek hem na. Vreemd, ze voelde zich blij en licht. Haar gezicht was ontspannen zoals vroeger en, kijk, het leuke kuiltje in haar kin was er weer.

Zie je wel, bidden helpt altijd.