Het eiland van licht*

Het water leek steeds kouder te worden. De meeuw rukte en trok zo hard hij kon. Hij deed zijn best om zich uit het visnet te bevrijden waarin hij was verstrikt geraakt. Als de vissers zouden komen, zouden ze hem doodmaken. En als die niet zouden komen, zou hij in het koude water sterven. ‘Waarom heb ik ook geprobeerd om die vissen uit het net te pikken?’, vroeg hij zich kwaad af. Maar nu was het te laat. Zijn poot zat pijnlijk vast en hoe hard de meeuw ook trok, hij bleef vastzitten. Plotseling viel er een schaduw over hem heen. Een grote gedaante streek naast de meeuw neer en begon zijn poot los te pikken. Het was de grote zeearend. Met zijn scherpe blik had hij de arme meeuw gezien en had besloten om de meeuw te redden. Een paar keer hakte hij met zijn sterke snavel in op het touw van het net. Toen sprong het los. De meeuw en de zeearend vlogen samen weg. De meeuw keek de zeearend dankbaar aan. Zij aan zij gingen ze. Vanaf dat moment waren zij vrienden.

Vaak zochten de meeuw en de zeearend elkaars gezelschap. De meeuw liet zijn vriend het duin zien waar hij en zijn familie woonden. De zeearend kwam er graag. ‘Je moet ook eens met mij meegaan’, zei de zeearend soms. ‘Ik woon op het eiland van licht, ver weg over zee.’ Maar de meeuw wist niet of hij zo ver over de zee durfde te vliegen.

Op een kwade dag klapwiekten er zwarte vogels neer op het duin van de meeuw en zijn familie. Ze krasten onheilspellend en hun ogen keken begerig naar de eieren en naar de jonge meeuwen. De meeuw, zijn broers, zussen, zoons en dochters verdedigden zich tegen de zwarte rovers. Het was een bloedige strijd. De meeuw kreeg gemene pikken in zijn borst. Het bloed liep uit de wonden. Daar lag hij, halfverlamd in het zand. Een grote zwarte vogel wilde hem de laatste doodspik geven. Maar plotseling er viel een grote schaduw over hen heen. De zeearend daalde neer en verjoeg de zwarte vogel en alle andere rovers die de nesten van de meeuwen hadden aangevallen. De zeearend ging zitten bij zijn gewonde vriend. ‘Wordt het geen tijd dat ik je meeneem naar het eiland van licht?’, vroeg hij. ‘Dan kun je rust vinden. Daar zijn geen zwarte roofvogels. Daar zul je gelukkig zijn.’ Maar de meeuw schudde zijn kop: ‘Nee, ik moet hier blijven. Ik moet mijn familie beschermen.’

De jaren verstreken. De meeuw voelde zich steeds ouder worden. Hij was moe. De zeearend sprak weer met hem over het eiland het licht. Hij zou zijn vriend de meeuw graag daar willen laten uitrusten en gelukkig laten zijn. De meeuw luisterde naar hem en knikte nu. Maar eerst wilde hij afscheid nemen van zijn broers, zussen, kinderen en kleinkinderen. Samen met de zeearend vloog hij door het duin. Hij nam afscheid van de andere meeuwen. Nog één keer bezocht de oude meeuw al die plaatsen waar hij eens opgroeide en speelde, waar hij had gevochten en had liefgehad. Toen keerde hij terug naar zijn nest. Wat was hij moe, zo moe. Zijn hart voelde zwaar. Hij legde zich langzaam neer.

Toen is de oude meeuw ingeslapen. De andere meeuwen kwamen. Voorzichtig sloten zij met hun vleugels de ogen van de oude meeuw toe. Zacht viel er een grote schaduw over hen heen. De zeearend streek neer naast zijn vriend. Liefdevol legde hij hem op zijn brede rug. Toen is hij opgestegen. Met langzame wiekslagen vloog de grote zeearend over de zee en droeg zijn oude vriend naar het eiland van licht.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 98-100)