De schipbreukeling*

Er lag wrakhout op het strand. Het moest van een schip zijn dat die nacht in de storm was vergaan. De dorpelingen zochten het strand af om te zien of er iets bruikbaars was aangespoeld. Iemand hoorde gehuil. Toen vonden ze het kleine meisje. Ze leefde nog. Als enige had zij de schipbreuk overleefd. Wie het meisje was? Niemand wist het. Het enige dat de dorpelingen vonden, was een kettinkje om de hals van het meisje. In het hangertje zat de foto van een man die haar vader moest zijn.

Het kleine meisje werd liefdevol opgenomen in het huis van goede mensen. Zij kreeg een naam: Teresa. Teresa groeide voorspoedig op. Zij speelde, maakte vriendinnen en vrienden, werd groot en groeide uit tot een mooie jonge vrouw. Soms liep Teresa naar het strand en staarde dan naar de verte. Zou daar, ergens achter de horizon, haar vader zijn?

Op een kwade dag vielen piraten het dorp aan. Zij plunderden de huizen en staken voor zij weggingen de huizen in brand. Teresa had tijdig kunnen vluchten. Toen het veilig was, keerde zij terug naar het dorp. Van haar huis was niets over dan een rokende puinhoop. Teresa woonde maandenlang in een kale boerenschuur, net als de andere dorpelingen. Ze was jong en sterk en kon de armoede wel verdragen. Maar wat was ze blij toen een lieve vriend haar vroeg om te trouwen en samen met hem een huis te bouwen.

Hun nieuwe huis werd prachtig. Ook de liefde en het geluk woonden er. Het duurde niet lang of kinderstemmen vulden het huis. Teresa was gelukkig. Een enkele keer keek ze nog wel eens naar de foto aan haar kettinkje, naar die man die haar vader moest zijn. Ze liet haar kinderen de foto zien en vertelde hoe ze als schipbreukeling was aangespoeld. Als ze aan het strand waren, keken ze naar de verte. Daar waar de zeemeeuwen heen vlogen, zou daar Teresa’s vader nog zijn?

De jaren verstreken. Teresa’s kinderen werden volwassen en gingen één voor één het huis uit. Het eens zo levendige huis werd stiller. Het was niet nieuw meer. Hier en daar waren er pannen van het dak gevallen, tekenden scheuren de wanden en was de verf van de luiken afgebladderd. Toen Teresa’s lieve man gestorven was, werd het voor haar nog moeilijker om het huis mooi te houden. Ze had er ook niet zoveel kracht meer voor. Dan ging ze soms maar naar het strand om uit te rusten. Dan keek ze weer naar de meeuwen en de verten waar de meeuwen heen vlogen. Zou daar haar vader zijn?

Teresa werd oud. Haar huis raakte vervallen. De luiken waren onherstelbaar kapot. Sommige stenen waren uit de muren gevallen. Er zaten gaten in het dak. Teresa voelde zich zo moe. Ze was te zwak om nog naar het strand te gaan. Eens was zij zo moe dat zij overdag op bed ging liggen. Ze keek omhoog. Door een gat in het dak zag zij de lucht. Daar vlogen de zeemeeuwen. Het leek wel of zij naar een grote wolk vlogen die op een mooi wit huis leek, een kasteel haast. Teresa sloot haar ogen en sliep in. Haar gezicht werd stil, een glimlach trok rond haar mond. Ze droomde dat ze voor de deur van het grote huis in de wolken stond. De deur zwaaide open. Ze liep een warme, vriendelijk verlichte ruimte binnen. Terwijl ze daar liep, voelde zij zich niet moe meer, maar licht en weer jong. Aan de andere kant van de ruimte stond een man. Teresa kwam dichterbij. Ze zag zijn gezicht. Toen zij zijn gezicht zag, kreeg zij tranen in de ogen. Het was het gezicht van die oude foto aan haar kettinkje. Teresa, de kleine schipbreukeling, was eindelijk thuis.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 95-96)