De laatste reis van de kapitein*

Piraten … Zeemonsters … Schateiland … Of je alles van zijn verhalen moest geloven? Wat deed het ertoe, de oude kapitein kon er in elk geval prachtig over vertellen. Als hij van wal stak, dan zag je de zee voor je, je voelde de wind waaien en je hoorde de meeuwen schreeuwen.

De kapitein vertelde graag het verhaal over zijn schipbreuk. Hij had het wel honderd keer verteld. Maar het bleef een indrukwekkend verhaal: over de huizenhoge golven die over het schip waren geslagen, hoe het schip doormidden was gebroken en de kapitein in zee was gesprongen. Plotseling had hij een eilandje ontdekt. Daar was hij op geklauterd. Hij had het een raar, kaal eilandje gevonden. Het vreemde was dat het eilandje naar de kust was gezwommen! Toen pas had de kapitein gemerkt dat hij op de rug van een walvis was beland. Die had hem naar het strand gebracht en zo had de kapitein de schipbreuk overleefd.

Hij verteld ook graag over die mooie zeemeermin. De oude kapitein had eens haar prachtige stem gehoord. Ze zong liederen zo verleidelijk dat iedere zeeman onweerstaanbaar naar haar toe werd getrokken. Maar wie niet oppaste, liep met zijn schip op de rotsen. Het had niet veel gescheeld of de oude kapitein was zo aan zijn eind gekomen. Gelukkig had hij op tijd het gevaar ingezien en was teruggegaan. Maar als hij vertelde over de zang van de zeemeermin begonnen zijn ogen weer te glinsteren.

De kapitein had al een tijd niet meer gevaren. Hij was er nu te oud voor. Zijn verveloze schip lag aan de kade. Elke dag liep hij er even heen. Dan keek hij uit over de zee en herinnerde zich zijn reizen. Hij zou zo graag nog één keer een reis maken. Waarheen? De oude kapitein wist het wel. Hij zou naar die streep in de verte willen, waar de hemel en de zee elkaar raken.

Op een zonnige middag is de oude kapitein weer naar zijn schip gegaan. Hij liep over de loopplank en startte de roestige motor, die het op wonderbaarlijke wijze nog steeds deed. Langzaam voer hij de haven uit. De oude kapitein was blij om weer op de wijde zee te zijn en het wiegen van de golven te voelen. Op zijn stramme benen kon hij zich nog net staande houden. Hij hield zich goed vast aan het stuurrad en merkte wel dat zijn handen zwak waren geworden. De oude kapitein keek naar de meeuwen die buitelden rond het schip. Hij verlangde ernaar om weer jong en lenig te zijn, om ook te kunnen buitelen en te spelen met de wind net als de meeuwen. Ze zweefden voor de boot uit. De kapitein voer de meeuwen achterna. Steeds verder, steeds dichterbij de grens waar hemel en zee elkaar raken. Vreemd, hoe dichter hij bij de einder kwam, hoe meer het leek of zijn schip in het licht voer. De oude kapitein voelde de warmte van de zon. Het leek of hij sterker, leniger, jonger werd. Langzaam drong het tot hem door dat hij vloog. Met de meeuwen liet hij zich dragen door de wind. Hij daalde en steeg en buitelde met hen in het licht. De oude kapitein keek naar de zon en zag dat deze naar hem lachte. De oude kapitein lachte terug en hoorde de vriendelijke stem van de zon: ‘Welkom thuis’.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 95-97)