Een handvol modder

Engel zijn is niet altijd leuk. Het is mooi als het goed gaat. Maar als het niet goed gaat, berg je dan maar. Dat wist de engel Engelbertus maar al te goed. Hij kwam graag in een dorp waar een spoor doorheen liep. Engelbertus hield namelijk van treinen. Nu reden er over dat spoor haast alleen maar geel-blauwe treinen. Niet iedereen was dol op die kleuren. Zoals meneer Zwartemans, die hield alleen maar van rode treinen, het liefst met een zwart randje en oranje sterretjes. Maar die reden nooit over het spoor. Daarom was meneer Zwartemans elke dag boos, woedend en ziedend. 

Op een dag maakte de engel Engelbertus rustig zijn ommetjes. Hij kwam meneer Zwartemans tegen. Meneer Zwartemans begon allemaal onaardige dingen te zeggen over geel-blauwe treinen en over het spoor en vooral over Engelbertus. Hij was toch een engel? Hij kon toch wel een wondertje doen? Engelbertus moest nu maar eens zorgen voor rode treinen, het liefst met een zwart randje en oranje sterretjes.

Maar een engel is niet de baas over de treinen die door het dorp rijden. Dat vertelde Engelbertus aan meneer Zwartemans. Meneer Zwartemans werd weer eens boos, woedend en ziedend tegelijk. Hij begon te schelden. Hij gebruikte woorden die je nog nooit hebt gehoord en die je ook niet wilt horen. Het was zo erg dat je niet kunt bedenken hoe erg het was. Nu zul je denken dat Engelbertus zou gaan terugschelden. Dat deed hij niet. Dat hij bang zou worden. Dat deed hij niet. Dat hij zou gaan slaan, dat deed hij ook niet. Hij bleef gewoon staan en zei meneer Zwartemans beleefd gedag toen die wegliep.

Frits had dat allemaal gezien. Engelbertus was zijn vriend. Frits vroeg hem naderhand: ‘Waarom werd je niet boos en ging je niet terugschelden of slaan?’ Engelbertus zei eerst niets maar pakte een snoepje uit zijn zak. Hij gaf het aan Frits. Frits nam het snoepje aan, want engelen hebben altijd hele lekkere. ‘Van wie is dat snoepje?’ vroeg Engelbertus. ‘Van mij natuurlijk,’ zei Frits, ‘jij hebt het me gegeven.’ Juist,’ zei Engelbertus. Hij boog zich nu voorover, pakte een handvol modder en gaf die aan Frits. Maar Frits hield zijn handen op zijn rug. Die modder wilde hij niet hebben. Engelbertus glimlachte en zei: ‘Van wie is deze modder?’ ‘Niet van mij,’ zei Frits, ‘ik heb het niet aangenomen. Die modder is nog van jou.’ Engelbertus glimlachte weer. ‘Juist. En zo is het ook met beledigingen. Je kunt ze aannemen en dan zijn ze van jou. Je kunt ze ook niet aannemen en dan behoren ze nog toe aan wie jou beledigt. Meneer Zwartemans is weggelopen met al zijn beledigingen bij zich. Ik heb er niets van aangenomen. Ze behoren nog altijd hem toe, niet mij. Daarom werd ik niet boos.’

Frits lachte. Hij had het begrepen. Een levenslesje van een engel is altijd de moeite waard. Het snoepje van Engelbertus smaakte trouwens heerlijk.


(geïnspireerd op een Japans verhaal)