Een bijzondere nacht

Het was Kerstnacht, een bijzondere nacht. De sterren twinkelden als kleine speldenknoppen tegen de donkere hemel. Hoog boven het stadje, boven op een berg, stond een groot standbeeld. Het was een beeld van Jezus.

Het beeld keek omlaag naar het stadje. Nu zul je zeggen: dat kan niet, een beeld kan niet kijken. Maar ik zei zonet: het was een bijzondere nacht. In bijzondere nachten kan er van alles gebeuren. Jezus keek dus naar beneden. Er zwierven kinderen. Ze hadden het koud. Mager waren ze ook. Eten kregen ze niet vaak. Soms gaven de mensen in het stadje hun weleens wat oud brood of afgedragen kleren. Deed de burgemeester iets voor die kinderen? Niets. De burgemeester hield niet van arme kinderen. Die waren niet deftig. Hij wel. Als hij aan arme kinderen dacht, dacht hij alleen maar: ‘Grmff.’ Ik weet niet wat dat betekent, maar die kinderen hadden er niets aan.

Jezus keek omlaag naar het stadje en zag dat allemaal. Hij knipte met zijn vingers. Nu zul je denken: dat kan niet, een beeld kan niet met zijn vingers knippen. Maar het was een bijzondere nacht, weet je nog? Er kwam een engel aangevlogen. Hij ging dwars door de deur van het burgemeestershuis naar binnen. Dat is het aardige van engelen, dat ze zoiets kunnen. De engel zocht de burgemeester op, die bij de kerstboom kerstliedjes zat te zingen. De engel vroeg hem om iets te doen voor de arme kinderen. De burgemeester zei alleen maar: ‘Grmff.’

Jezus op de berg hoorde dat. Hij knipte weer met zijn vingers. Er kwamen nu tien engelen aangevlogen. Ze gingen ook allemaal door de burgemeestersdeur naar binnen. Ze vroegen met z'n tienen hetzelfde als de eerste engel. Nog tien keer beleefder zelfs. Wat de burgemeester antwoordde? Je kunt het wel raden.

Jezus op de berg knipte nog eens met zijn vingers. Er kwamen herders aangelopen. Ze gingen naar het plein midden in de stad en begonnen vuren te maken. Van een andere kant, uit het oosten, kwamen er drie ruiters op kamelen aangereden. Ze keken nogal wijs en dat is niet zo vreemd. Je begrijpt het al, het waren de wijzen uit het oosten. Ze hadden goud, wierook en mirre bij zich. Die ruilden ze bij winkeliers voor heerlijke broodjes, gebakjes en chocolade. Misschien vinden sommige mensen het niet zo verstandig dat ze al die ongezonde zoetigheid kochten, maar het kon die wijzen niets schelen. Al die heerlijke dingen brachten ze naar het plein, waar de kinderen bij de warme vuren waren gaan zitten. Hun ogen glinsterden net als de sterren aan de hemel.

Nu vergeet ik haast te vertellen dat ook de ezel en de os kwamen aangelopen. Weet je waar die gingen liggen? Voor de deur van de burgemeester. Toen de burgemeester klaar was met het zingen van zijn kerstliederen, had hij herrie gehoord op het plein. Uit het raam had hij de vuren gezien, de kinderen, de herders en de wijzen. ‘Grmff,’ had de burgemeester gezegd. ‘Ze hebben niet eens een vergunning voor vuren! De burgemeester wilde naar buiten om iedereen weg te sturen. Maar hij kon niet naar buiten. Dankzij de os en de ezel voor zijn deur.

Het werd een mooie Kerstnacht voor de kinderen en alle anderen die erbij waren. Behalve voor de burgemeester. Maar dat vond niemand erg. Boven op de berg keek het Jezusbeeld naar beneden en lachte. Nu zul je zeggen: een beeld kan niet lachen. Maar ik vertelde toch dat die Kerstnacht een heel bijzondere nacht was!