Een beetje water*

Er was eens een tijd, heel lang geleden, dat alle zwanen over het land zwierven. Ze scharrelden rond tussen de struiken en de bomen of door het hoge gras. De zwanen waren bange dieren. Dat kon je wel zien aan hun hals: niet fier en recht maar gebogen en triest. Ze voelden zich log en zwaar. Vaak keken ze angstig om zich heen, bang voor roofdieren die hun te snel af konden wezen.

De uil zag de zwanen vaak triest en bang rondwaggelen. Hij kreeg langzamerhand het idee dat deze vogels niet thuishoren op het land. Op een dag vloog hij naar de zwanen toe en sprak: ‘Tussen jullie tenen zie ik zwemvliezen. Volgens mij horen jullie niet op het land thuis, maar in het water. Jullie moeten naar de meren en de sloten gaan. Daar zullen je jullie veiliger leven en gelukkiger zijn.’ De zwanen keken de uil verschrikt aan. Leven in het water? Hun niet gezien. Water was veel te gevaarlijk. Daar kon je in verdrinken. De golven konden over je heenspoelen en dan werd alles zwart om je heen. Water was nog gevaarlijker dan vossen of wolven. Naar het water? Geen sprake van!

Ook de struisvogel had gemerkt dat de zwanen bang waren. Hij wilde hen helpen en zei: ‘Ik weet iets tegen angst. Weet je wat je moet doen als er gevaar dreigt? Hetzelfde als ik: je kop in het zand steken. Dan zie je niks meer en verdwijnt de angst vanzelf.’ De zwanen bedankten de struisvogel voor zijn raad. Ze begonnen direct gaten in het zand te graven om hun kop in te kunnen steken. Maar dat lukte niet. Zwanensnavels zijn niet gemaakt om in het zand te graven.

De arend had ook een idee voor de bange zwanen. Hij zei tegen hen: ‘Ik weet iets beters, ik zal jullie leren hoe je je verdedigen moet. Kijk, met mijn poten klauw ik naar mijn vijanden en jaag hen weg. Jullie moeten ook leren om te klauwen.’ De zwanen probeerden het. Maar hun zwemvliezen zaten hen in de weg. De eenden in de buurt lachten hen snaterend uit. Het was zo’n koddig gezicht om die logge waggelzwanen bezig te zien de lenige arend na te doen.

Wat de zwanen ook probeerden, zij bleven bang en triest. Tenslotte zocht de uil hen weer op. ‘Ga toch naar het water’, herhaalde hij. Maar de zwanen waren nog banger geworden dan ze al waren. Het donkere water, het vreselijke water! Maar nu hield de uil aan: ‘Kom maar. Ik zal jullie laten zien dat je niet bang hoeft te zijn voor het water.’ De uil ging hen voor. Omdat de zwanen wisten dat de uil een wijze vogel was, volgden ze hem pootje voor pootje naar de oever. De uil stak zijn vlerk in het water en spatte een beetje op de koppen van de zwanen. Van schrik bogen zij hun halzen nog meer dan gewoonlijk. Maar er gebeurde niets vreselijks. De uil spatte nog een keer water over hen heen. De zwanen bogen hun halzen nog verder, maar ook nu gebeurde er niets ergs. Een derde maal spatte de uil de zwanen nat. De zwanen bogen hun halzen niet meer verder want ze merkten dat het water hen eigenlijk helemaal geen kwaad deed. Langzaam gleed er één het water in. En nog één. Ze volgden allemaal. Het duurde niet lang of de zwanen dreven verwonderd rond. Ze hadden ontdekt dat zij niet bang hoefden te zijn voor het water. Het leek zelfs of het water hun bangheid juist had afgespoeld.

Je ziet de zwanen nu rustig en vol vertrouwen rondzwemmen in vijvers en in sloten. Je zou niet zeggen dat ze vroeger zulke bange dieren waren. Alleen, hun halzen zijn nog een beetje gebogen. Helemaal zonder angst is immers niemand.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 44-46)