Waar is God?*

Ik was tuinman. Ik werkte in de tuin van een groot geleerde. Dat was een hele eer. Want deze geleerde was niet gewoon geleerd, maar zeer geleerd, ja, buitengewoon hooggeleerd. Er ging geen dag voorbij of hij zat met zijn neus in de boeken. Vaak zette hij zijn bril bedachtzaam af en dacht diep na. Soms schreef hij wel eens iets op. Aan zijn ernstige gezicht viel af te lezen dat hij nadacht over moeilijke vragen. Ik had gehoord dat de geleerde bezig zou zijn met een heel ingewikkeld vraagstuk. Men beweerde zelfs dat hij bezig was met de allermoeilijkste vraag die er bestaat.

Ik werkte iedere dag in de tuin. Dat deed ik met veel plezier, ik mag wel zeggen met heel veel plezier. Wat is er mooier dan’s morgens de dauwdruppels aan het gras te zien flonkeren? Wat is er ontroerender dan in het voorjaar nieuwe vogelnesten te ontdekken in de bomen en het gepiep van de jonge vogels te horen? Wat is er wonderlijker dan de zachte kleuren van de appelbloesem in de lente?

Al schoffelend en wiedend dacht ik wel eens na over de geleerde in het huis. Ik vroeg mij af: ‘Waar zou die geleerde toch ieder dag mee bezig zijn in zijn donkere, stoffige studeerkamer? Het moet wel heel belangrijk zijn als iemand daarvoor heel de dag binnen wil blijven zitten, zelfs als de zon schijnt. Dat doe je toch niet voor niets?’ Op een dag zag ik de geleerde naar buiten komen. Hij zou het wel erg druk hebben, maar ik besloot toch de stoute schoenen aan te trekken en hem te gaan vragen waarover hij nu eigenlijk nadacht. Ik nam beleefd mijn pet af en zei: ‘Meneer, als u het goed vindt, zou ik u wat willen vragen.’ De geleerde keek mij verbaasd aan. ‘Nou, vooruit’, antwoordde hij. Ik zei: ‘Meneer, ik zie u heel de dag lezen, nadenken en schrijven in uw studeerkamer. Maar wat is er zo belangrijk dat u daar al uw tijd aan geeft?’ De geleerde zette een geleerd gezicht en sprak: ‘Ik wijd mij aan een ingewikkelde vraag, ik mag wel zeggen: de allermoeilijkste vraag voor de mensheid. Ik vraag mij namelijk af: waar is God? Op deze vraag probeer ik al jaren een antwoord te vinden.’ Toen vervolgde hij gehaast zijn weg.

Ik liep langzaam terug de tuin in. Nu wist ik het dus. Hij dacht na over de vraag: waar is God? Ik was diep onder de indruk. Ik ging naar een boom en leunde tegen de stam. Boven mij hoorde ik de jonge vogels, ik zag de flonkerende dauwdruppels in het gras, ik gaf een tik tegen de kleurige appelbloesem en ineens dacht ik bij mijzelf: ‘Maar waar is God eigenlijk niet?’


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 89-91)