Het zwarte schaap

In de kudde was het vaak een vrolijke boel. De schapen hielden spelletjesavonden en speurtochten en voor het slapen gaan een kussengevecht. Maar hoe speels de schapen ook waren, ze waren ook erg verstandig. Ze luisterden goed naar het leiderschaap, de baas van het hele spul, en wisten precies wat ze wel en niet konden uithalen.

Behalve één schaap. Op een keer was de kudde ergens op de hei. Elk schaap wist dat er grote langharige runderen rondliepen die ze niet kwaad moesten maken. Maar dat ene schaap begon toch voor de grap aan de staarten van de runderen te trekken. Nu worden die grote beesten niet zo gauw boos. Maar toen dat rare schaap maar aan hun staarten bleef trekken, kwamen ze met z’n allen op hem af, hun grote horens dreigend op het schaap gericht. Het holde zo snel het kon naar de andere schapen. Gelukkig liep het goed af, maar het schaap zag nog dagenlang groen van angst.

Op een andere dag besloten de schapen zwemles te nemen. Ze gingen naar het zwembad. Alle schapen begonnen in het ondiepe deel ervan. Behalve dat ene schaap: dat sprong meteen in het diepe. Gelukkig sprong de badmeester hem na en haalde het uit het water. Het schaap zag nog dagenlang blauw van schrik.

Op weer een andere dag gingen de schapen naar het bos om te spelen. Dat deden ze braaf, net als jullie. Behalve dat ene schaap: dat ging fikkie steken. Toen het even niet oplette, kwam het te dicht bij het vuur en zijn vacht begon te smeulen. De andere schapen rolden het smeulende schaap gauw door het zand. Gelukkig net op tijd. Maar tot op de dag van vandaag is het altijd zwart gebleven. Iedereen noemde het daarom ‘het zwarte schaap’.

Op een dag ging het oude leiderschaap met pensioen. Er moest een nieuwe baas van de kudde worden gekozen. Er kwamen allerlei schapen langs die wel wilden. Ze waren allemaal wit, behalve dat ene zwarte schaap. ‘Dat domme, eigenwijze zwarte schaap kan nooit ons leiderschaap worden,’ zei iedereen. Onze nieuwe baas moet mooi wit en braaf zijn, net als wij.

Toen stond er een oud en wijs schaap op en nam het woord: ‘Ik zou toch het zwarte schaap willen kiezen.’ De andere schapen keken hem verbaasd aan. Het wijze schaap ging verder: ‘Ja, dat lijkt me juist heel goed. Het zwarte schaap mag dan misschien wel dom en eigenwijs zijn, maar op zijn tijd zijn wij allemaal weleens dom en eigenwijs. Juist dat zwarte schaap kan ons daaraan helpen herinneren!’

Dat vonden de andere schapen ook. Elke keer als de witte schapen hem zagen, herinnerden ze zich weer: ‘Ook wij zijn weleens een zwart schaap.'