Dwaalgeest of engel?*

Simons voeten deden pijn. Op zijn linkervoet zat al een dikke blaar. Hoe lang had hij al niet gelopen door het bos? Hij was de weg kwijt. Welke kant moest hij op om thuis te komen? Hij ging zitten op een grote grijze steen. Achter hem hamerde een specht luidruchtig op een boomstam. Simon probeerde na te denken, maar dat lukte maar moeilijk door de herrie.

Opeens stond er een mannetje voor hem. Hij droeg een keurig dasje en zijn schoenen waren blinkend gepoetst. Een alleraardigst mannetje. ‘Waar wil je heen, Simon?’ Simon had niet geweten dat het mannetje hem kende. ‘Naar huis, meneer.’ ‘Dat is heel gemakkelijk,’ antwoordde het mannetje, ‘je gaat die kant op en drie keer linksaf. Dag!’ Het mannetje zweefde wat op en neer en vloog weg met bochten en buitelingen. Simon was blij en ging meteen op pad. Hij stapte flink door ondanks de pijnlijke blaar op zijn voet. Maar na een half uur lopen kwam hij weer bij de zelfde grote grijze steen uit waar hij met het mannetje had gesproken. Simon was helemaal niets opgeschoten. Op zijn rechtervoet zat nu ook een blaar. Hij ging teleurgesteld zitten.

‘Ik wist ’t wel,’ zei opeens een stem achter hem. ‘Dat was een dwaalgeest, Simon.’ Het was de specht die tussen zijn gehamer door tot hem sprak. ‘Specht, hoe weet jij dat het een dwaalgeest was?’ De specht onderbrak zijn werk: ‘Makkelijk zat toch? Dwaalgeesten vliegen altijd met bochten en buitelingen. Je ken ze niet vertrouwen. Nou mot ik weer verder want m’n nest mot voor donker klaar weze.’

Simon zat nog na te denken over de woorden van de specht, toen er ineens een fee voor hem stond. ‘Dag Simon, je bent verdwaald, zie ik. Maar ik zal je helpen. Ga dat pad hiertegenover in en alsmaar doorlopen, dan kom je er vanzelf.’ Voordat Simon haar kon bedanken, fladderde ze weg. Met bochten en buitelingen. Simon dacht aan de woorden van de specht. ‘Maar dit was toch geen dwaalgeest? Dit was een fee! En een fee zou hem toch niet de verkeerde kant op sturen?’ Simon ging op pad in de richting die de fee hem had gewezen. Het duurde niet lang of hij hoorde gezoem. Het werd steeds luider. Eén wesp, twee wespen, drie, tien, honderd ... Ze zoemden boos rond Simons hoofd en richtten hun scherpe angels op zijn neus. ‘Zga zweg’, zoemden ze, ‘zniet zbij zons znest zkomen.’ Simon werd heel bleek en wist niet hoe snel hij terug moest gaan. Weer kwam hij aan bij de grote grijze steen. Hij liet zich neervallen en voelde dat de moed hem in de schoenen zonk.

‘Ik wist ’t wel,’ hoorde hij weer achter zich. ‘Bochten en buitelingen, dat benne dwaalgeesten. Ik zei ‘t toch. Je had ’t kenne wete.’ De specht schudde meewarig zijn kop en vervolgde zijn werk. Terwijl Simon even probeerde uit te rusten, kwam er een duif aangevlogen. Hij ging op Simons schouder zitten. ‘Simon, je bent moe hè? Maar houd moed. Ik zal je vertellen waar je heen moet. Ga twee keer rechts en twee keer links, dan ben je zo thuis. En weg was de duif. Simon zat met grote ogen te kijken in de richting die de duif hem gewezen had. Was dit de goede weg? Was de duif te vertrouwen? ‘Die ken je gerust vertrouwen,’ klonk weer de stem achter hem. ‘Da’s een engel.’ ‘Hoe weet jij dat, specht?’ ‘Simon, leer je ’t nou nooit? Nou heb ik je al twee gezegd dat dwaalgeesten met bochtjes vliegen, maar een engel vliegt altijd rechtuit. Net als die duif. Makkelijk zat.’ En hij vervolgde onverstoorbaar zijn werk.’

‘Bedankt, specht.’ Simon verzamelde alle moed die in hem over was en liep twee keer rechts en twee keer links. Toen was hij thuis. De woorden van de specht heeft hij nooit meer vergeten. ‘Dwaalgeesten vliegen met bochtjes, engelen rechtuit.’ Nooit meer heeft iemand hem de verkeerde kant opgestuurd.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 66-67)