De stem van je hart*

‘Wat er ook gebeurt, luister altijd naar de stem van je hart.’ De jonge zwaluw had deze woorden al zo vaak gehoord. Elke keer weer sprak zijn bezorgde moeder dezelfde woorden: ‘Als we elkaar kwijtraken, als je niet meer weet wat je moet doen, als je de weg kwijt bent, luister altijd naar de stem van je hart.’

Op een keer was de jonge zwaluw ver van het nest weg gedwaald. Hij vermaakte zich prima want hij ontdekte hoe groot de wereld was. Hij vond zichzelf ook al heel groot en parmantig wiebelde hij met zijn zwaluwstaart. Na lang te zijn weggeweest, keerde hij terug naar het nest van zijn moeder. Maar zij was er niet meer. Van een paar mussen hoorde hij dat zijn moeder hem gezocht had. Ze had lang gewacht in de hoop dat de jonge zwaluw zou terugkomen. Maar ten slotte was zij weggegaan. ‘Het is herfst, ik moet gaan,’ had ze gezegd en was weggevlogen in de richting van de zon.

De jonge zwaluw zat eenzaam op de rand van het lege nest. Hij voelde zich niet groot meer. Zijn staart hing droevig naar beneden. Wat moest hij doen? Toen herinnerde hij zich die woorden: ‘Wat er ook gebeurt, luister altijd naar de stem van je hart.’ De jonge zwaluw werd heel stil en luisterde. Diep in zijn borst voelde hij een stem: ‘Vlieg naar de zon, vlieg naar de zon …’ Hij besloot de stem te gehoorzamen en vloog weg.

De jonge zwaluw merkte al snel dat hij niet als enige op weg was naar de zon. Andere zwaluwen hadden de stem ook gehoord en vlogen naar het zuiden. Als ze moe waren, streken ze neer om wat eten te zoeken. Een paar luie zwaluwen zeiden na een tijdje: ‘Wat ons verderop te wachten staat, weten we niet. Hier zijn de muggen wat schraal en de torren niet te vet, maar het is genoeg om de winter door te komen. Wij blijven hier.’ De jonge zwaluw wist niet of hij verder moest vliegen of blijven. Maar toen het donker werd, in de stilte van de avond, hoorde hij weer de stem van zijn hart: ‘Vlieg naar de zon, vlieg naar de zon …’ De volgende ochtend vervolgde hij, temidden van veel andere zwaluwen, zijn weg.

Tegen het middaguur zagen de zwaluwen beneden zich een heuvel waar het krioelde van de insecten. Wat een paradijs! De meeste zwaluwen doken pijlsnel naar beneden om hun buik vol te eten. De jonge zwaluw vloog ook op de krioelende lekkernijen af, maar diep in zijn hart hoorde hij: ‘Vlieg verder, vlieg verder.’ Eerst wilde hij niet luisteren want hij watersnavelde bij het zien van zoveel dikke muggen en vliegen. Maar toen de stem in hem bleef spreken, hield hij in. Op dat moment, vlak voor hem, klapte het net dicht. De andere zwaluwen krijsten van schrik. Ze waren gevangen. Hun reis eindigde in de braadpannen van een paar restaurants die bekend stonden om hun heerlijke, vers gebakken zwaluwenvlees.

Met een bleke snavel van schrik vloog de jonge zwaluw verder. Hij was nu alleen. Hij durfde niet meer neer te strijken, bang voor mogelijk gevaar. Het werd donker en de nacht viel in. Hoe moest hij verder? De jonge zwaluw luisterde. Hij hoorde niets. De stem in zijn hart zweeg. Hij luisterde nog eens. Onder zich hoorde hij het geruis van golven. De zwaluw wist dat hij niet meer kon afdalen want onder hem wachtte het donkere water. Wat moest hij doen nu de stem in zijn binnenste zweeg? Het enige dat hij nog had, was de herinnering aan de stem in zijn hart; de stem die had gezegd dat hij naar de zon toe moest. Daarom vloog hij maar verder. In het donker wist de jonge zwaluw zelfs niet of hij wel in de goede richting ging.

Zo vloog hij de hele nacht verder. Eindelijk werd het lichter. Onder hem waren er golven maar verderop leek er land in zicht. Met zijn laatste krachten vloog hij erheen. Toen hij neerstreek, zag hij er andere zwaluwen zitten. Ze kwetterden vrolijk en hadden genoeg te eten. Een zwaluw gaf hem een lieve knipoog. Het was zijn moeder die hem liefdevol omhelsde.

 Later, toen de jonge zwaluw groot geworden was en zelf kinderen had, vertelde hij hun over zijn moeder. En hij herhaalde vaak haar woorden: ‘Wat er ook gebeurt, luister altijd naar de stem van je hart.’


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 55-56)