De kerkengel

Jap en Jinneke hadden er eigenlijk nooit erg in. Maar op een dag hadden ze het wel. Waar hadden Jap en Jinneke dan erg in? Ze wisten ineens wie ervoor zorgde dat er elke ochtend schone kleren klaarlagen, dat er op hun bed regelmatig schone lakens lagen, dat het huis was gestofzuigd, dat de ramen waren schoongemaakt, dat de vaatwasser was uitgeruimd, dat het afvoerputje onder de douche was schoongemaakt en er elke avond weer lekker eten op tafel stond. Ze hadden er nooit over nagedacht wie dat deed. Maar ineens hadden ze er erg in. Het was moeder die dat allemaal deed, soms ook vader of iemand anders die een handje hielp met het huishouden.

’s Zondags gingen Jap en Jinneke naar de kerk. Het viel hun ineens op dat daar alles ook zo schoon was, dat er bloemen in de vaas stonden, dat de stoelen mooi op een rijtje stonden, dat er na afloop altijd koffie of limonade was, met koekjes. Wie zorgde daarvoor? Ze wisten het niet. Jap dacht even na: ‘Ik denk dat er een kerkkabouter is die daarvoor zorgt.’ Jinneke dacht nog iets langer na en schudde toen haar hoofd: ‘Er bestaan geen kerkkabouters.’ Ze dachten allebei nog wat langer na en toen wisten ze het. Nou ja, dat dachten ze. Jap en Jinneke dachten dat bij een kerk engelen horen. En nu zou het wel een kerkengel zijn die alles schoonhield en bij hield en mooi hield en huis hield. Dat wisten ze eigenlijk wel zeker. Dat kon niet anders. Dat moest wel zo zijn.

Nu hadden Jap en Jinneke al heel veel gezien in hun jonge leventjes. Maar nog nooit een engel. Die wilden ze weleens zien. Daarom maakten ze een plan. Ze zouden zich verstoppen na de kerkdienst in de kerk om de kerkengel te zien. Die zou vast komen om alles weer schoon te maken en mooi te maken. Hoe zou zo’n kerkengel eruitzien?

Nadat de kerkdienst was afgelopen en iedereen de kerk uit was gegaan, zelfs de organist, verstopten ze zich achter een paar stoelen. Ze wachtten lang, langer, heel lang zelfs. En toen kwam hij binnen: de kerkengel. Hij begon alles recht te zetten en goed te zetten en op zijn plek te zetten. Hij raapte papiertjes op, liturgieboekjes, niet opgegeten peperpuntjes en ook nog een vergeten bril. Dat moest de kerkengel zijn. In stilte deed hij zijn werk. Niemand zag dat. Ook niet dat het best veel werk was. De meeste mensen hebben daar geen erg in. Die staan daar nooit bij stil. Nu was er wel iets vreemds met deze kerkengel, hij had geen vleugels. Dat hadden engelen toch? Deze had twee grote handen. En het gekke was dat hij geen wit kleed droeg, maar gewoon een pak. En hij had geen gouden engelenhaar maar mensenhaar.

Jap en Jinneke kwamen tevoorschijn. ‘Bent u de kerkengel?’ ‘Zeg maar gewoon koster,’ zei hij. Meer niet. Toen wisten Jap en Jinneke dat ze de kerkengel echt hadden gezien en dat hij Koster heette.