De zwartkijkers

In het paleis woonden koning Baldewijn, prinses Berendientje en prins Karel. Er was ook nog een koningin, Grutje, omdat ze altijd 'Grutjes' zei. Nu was er iets vreemds aan de hand met koning Baldewijn, prinses Berendientje en prins Karel. Zij waren zwartkijkers. Als koningin Grutje tegen haar man zei dat hij eens een nieuwe, vrolijke kroon moest kopen, dan bromde hij mismoedig: 'Ach, alle kronen zijn zwart en somber.' Als de koningin tot haar kinderen zei dat ze in de paleistuin mooie bloemen moesten gaan plukken, dan antwoordden ze: 'Ach, alle bloemen zijn zwart en droevig.' Of als ze hun zei dat ze wel met de hofhond zouden kunnen gaan spelen, dan verzuchtten de kinderen: 'Ach, hij is zo zwart en lelijk.'

'Grutjes,' zei Koningin Grutje bij zichzelf, 'wat moet ik toch doen tegen dat zwartkijken?' Op een dag vroeg ze aan de tovenaar of hij er wat aan kon doen. 'Tsuurlijk, tsuurlijk, tsuurlijk, uwe majesteit,' lispelde de tovenaar. Hij ging recht tegenover Baldewijn, Berendientje en Karel staan, keek hen strak aan en sprak: 'Geen getseur, tsie een kleur!' Hij wachtte even en vroeg: 'Werkt het?' 'Jawel,' zeiden de koning en zijn kinderen, 'wij zien een kleur, eentje, zwart.' Onder ons gezegd en gezwegen, die tovenaar was maar een prutser.

'Grutjes,' dacht de koningin, 'hoe moet ik nu mijn man en kinderen van het zwartkijken afhelpen? Misschien zijn de kleuren in de wereld niet fel genoeg. Zou het helpen om alles te verven? De kroon van de koning, de bloemen in de tuin, de hond, de jurken van de hofdames, de gezichten van de lakeien?' 'Ahum,' zei de oudste dienaar van het paleis, 'koningin Grutje, voor u de hond gaat verven en onze kleren en mijn gezicht, misschien kunnen we nog iets anders proberen.' De oude dienaar begon over een oud boek dat ergens in het paleis lag. Daarin stonden bijzondere dingen. Misschien dat het boek de koning, de prinses en de prins kon genezen? De koningin vond het een raar idee. Maar soms kunnen rare idee├źn heel goed zijn. Daarom liet ze het boek tevoorschijn halen.

Koning Baldewijn, prinses Berendientje en prins Karel begonnen te lezen. Het ging over de aarde, dat die goed is en mooi. Het ging over een volk dat op weg was door de woestijn naar een land waar voldoende zou zijn voor iedereen. 'Dat zouden ze wel willen,' mompelde de koning die vreesde dat zoiets nooit zou lukken. Maar hij vond het idee toch wel mooi. Het boek vertelde ook over een man die verlamden liet lopen, blinden genas en gevangenen vrijliet. Die man ging ook dood en het gekke was dat dat toch niet het einde was. Toen ze het boek uit hadden, vroeg de oude dienaar: 'Werkt het al?' De koning antwoordde: 'De letters van het boek zijn nog altijd zwart.' 'Dat klopt,' zei de oude dienaar, 'dat zijn ze ook. Wacht u maar af.'

Die nacht, terwijl iedereen sliep, ontwaakten de woorden uit het boek in de donkere ogen van Baldewijn, Berendientje en Karel. De woorden uit het boek begonnen licht te maken. Rode lichtjes, blauwe, gele, groene. In die nacht veranderden de woorden de zwarte ogen van de koning en zijn kinderen in hele kleurige ogen. De andere ochtend zagen ze het: de kroon was van goud met rode edelstenen, de bloemen in de tuin waren blauw, de hond was niet zwart maar goudgeel. De woorden uit het oude boek hadden de zwartkijkers genezen.

Je begrijpt, dat koningin Grutje er voortaan elke dag uit voorlas. Zelfs zij begon nog meer kleuren te zien dan vroeger.