De weg naar Engelland

De dieren stonden vaak op het strand te kijken naar het eiland aan de overkant. Sommige dieren zeiden dat het eiland Engelland heette. Dat is een vreemde naam. Maar de dieren wisten waarom. Dat eiland heette Engelland, omdat ieder die er heen ging zo gelukkig als een engel zou worden. Vonden alle dieren dat? Nee, de leeuw vond van niet. Hij zei: 'Koekebakkerspraatjes zijn het en anders niet.'

Terwijl de dieren met de leeuw op het strand stonden te ruziën of Engelland nu wel of niet bestond, kwam er een engel bij hen zitten. Dat deed hij wel vaker. Hij hield van dieren en van strand. Toen hij hoorde waar de ruzie over ging, zei hij: 'Weet je wat? Elke keer als jullie iets aardigs doen, ontstaat er een droog stukje land in zee. Alle stukjes bij elkaar zullen een weg vormen. Daarover kunnen jullie dan naar Engelland lopen en gelukkig worden als een engel.' Maar de leeuw vond dat de engel koekebakkerspraatje verkocht. 'Er kunnen helemaal geen stukjes droog land ontstaan als iemand iets aardigs doet!' De engel zei: 'Doe het maar, dan zal je het vanzelf zien.' De engel strekte zijn vleugels en vloog weg. Naar Engelland natuurlijk.

In de verte hoorden de dieren angstig gepiep. Ik weet niet hoe ik zou piepen als een wolf me wilde opeten, maar ik denk net zo angstig als die kleine muis die tegenover een reusachtig hongerige wolf stond. Zou iemand hem kunnen redden? De leeuw zou het kunnen, maar die deed het niet. Gewoon omdat hij er geen zin in had. 'De een zijn dood is de ander zijn brood.’ Ineens kwam er wat aarde omhoog. De mol stak zijn kopje boven de aarde en zei: 'Kom muis, ik heb hier een mooi gangetje, hierdoor kun je vluchten.' Zo redde de mol de muis. En hoewel een mol niet veel kan zien, toch zag hij dat er een stukje zee droogviel.

De dieren hoorden een angstig klein trompetgeluidje. Ik weet niet hoe ik zou trompetteren als een krokodil me wilde opeten, maar ik denk net zo angstig als de kleine olifant die vastzat in de kaken van een reusachtige krokodil. Zou iemand hem kunnen redden? De leeuw zou het kunnen, maar die deed het niet. Gewoon omdat hij er geen zin in had. ‘Laat ieder voor zichzelf zorgen.’ Ineens kwam er een klein dier met een lange staart aangelopen. Het was een stinkdier. Hij deed zijn staart omhoog en begon vreselijk te stinken. De krokodil liet van schrik het olifantje los. Zo redde het stinkdier het olifantje. En ineens zag hij dat er een stukje van de zee droogviel.

Het werd avond en donker. De dieren hoorden een angstig gehuil. Ik weet niet hoe ik zou huilen als ik 's nachts verdwaald zou zijn, maar ik denk net zo angstig als het aapje dat in het donkere bos de weg niet meer kon vinden. Zou iemand hem kunnen redden? De leeuw zou het kunnen, die kan goed zien 's nachts, maar hij deed het niet. 'Eigen schuld dikke bult.' Ineens kwamen er vuurvliegjes aangevlogen. Zij gingen het bos in en zorgden dat het licht werd. Zo redden de vuurvliegjes het aapje. En ineens zagen de vuurvliegjes dat er een stukje van de zee droogviel.

Op een dag, een goede dag, waren er zoveel stukjes drooggevallen dat er een weg lag naar Engelland. De mol, het stinkdier, de vuurvliegjes en vele andere dieren zagen de weg en wisten dat Engelland, het land van geluk, nu heel dichtbij was. De leeuw zag niets en mompelde alleen maar: 'Koekebakkerspraatjes zijn het en anders niet.'