De tranenbron

In de Gedachtenisdienst wordt vaak gesproken over het leven na de dood. Het verdriet om het verlies van een geliefde is er niet minder om. Over dat verdriet gaat het volgende verhaal.

 

Niet ver van de plaats waar je woont, staat ergens een eik. Aan de voet van die eikenboom is een bron. Ze zeggen dat het een bijzondere bron is. Om uit te leggen waarom moet ik je het verhaal van Melone en Ilova vertellen.

De jongen en het meisje waren onafscheidelijk. Het meisje woonde in het landhuis aan de rand van het dorp, de jongen in het  kleine huis ernaast. Ilova heette zij. Melone heette hij. Melone en Ilova kenden elkaar van jongs af aan. Ze speelden vaak in de tuin onder de oude eikenboom. Ze speelden prins en prinses of tovenaar en tovenares. Ilova zong vaak. Wat een mooi stem had zij! Toen ze te groot waren geworden voor kinderspelletjes, kwamen ze na schooltijd samen onder de eikenboom om te praten en te lachen. Ilova zong dan met haar zilveren stem. Melone en Ilova, onafscheidelijk waren ze.

Op een dag stopte er een koets voor het grote huis waar Ilova woonde. Haar koffers werden ingeladen. Ze stapte in en de koets reed weg. ‘Naar een muziekschool ver weg om nog beter te leren zingen,’ vertelden de mensen. Melone keek haar na. Ze wuifden naar elkaar. Toen was Melone alleen. Hij ging naar hun eikenboom en voelde zich triest.

Vaak zat Melone onder de eikenboom en dacht aan Ilova. De mensen vertelden dat het goed ging en dat ze beroemd was geworden. Melone groeide op en werd een sterke jongeman. Zijn vader zei dat hij een vak moest gaan leren. ‘Goed, vader,’ had Melone gezegd, ‘dan trek ik de wijde wereld in om een vak te gaan leren.’ Maar hij dacht bij zichzelf: ‘In die wijde wereld ga ik op zoek naar Ilova.’ Het leek of hij steeds meer van haar ging houden.

Melone trok de wijde wereld in. Waar zou Ilova zijn? Melone ging van stad naar stad. Overal noemde hij haar naam. Niemand had ooit van Ilova gehoord. Tot die man in Parijs, die meende dat Ilova een zangeres in Londen was. Melone reisde naar Engeland. In Londen kenden de mensen Ilona wel. Ze scheen nu te zingen in Madrid. Melone reisde naar Madrid. Daar vertelde men dat Ilova in Milaan zou zijn. In Milaan vertelde iemand dat zij naar New York was gegaan. Melona voer als matroos op een zeilschip naar Amerika. In New York aangekomen, noemde hij haar naam. Bij het noemen van haar naam viel er een schaduw over het gezicht van de mensen. Iemand vertelde hem dat Ilova nu in de hemel was.

Melone’s hart brak. Hij ging zitten. Waar lag de weg naar de hemel? Hij vroeg het aan de wijze uil. De uil wist de weg naar de hemel niet te vinden. ‘Vraag het aan de meeuwen,’ zei de uil. 'Zij vliegen hoog, dichtbij de hemel, misschien weten zij de weg.’ Maar de meeuwen kenden de weg naar de hemel niet. ‘Vraag het aan de adelaars,’ zeiden de meeuwen, ‘zij bouwen hun nesten vlak onder de hemel, misschien weten zij het.’ Maar ook de adelaars kenden de weg naar de hemel niet.

Melone is teruggegaan naar zijn dorp. Hij ging naar de tuin waar hij en Ilova altijd hadden gespeeld en gepraat. Onder de eikenboom, hún eikenboom, ging hij zitten. Tranen vloeiden uit zijn ogen. Hoe lang hij er gezeten heeft? Niemand weet het. Sommigen zeggen een jaar, anderen tien jaar, weer anderen honderd jaar. Niemand weet het. Zij weten alleen dat er nu een bron ligt aan de voet van de eikenboom. Ze zeggen dat het water dat uit de bron vloeit geen gewoon water is. Het zouden de tranen zijn van een nooit te stillen verlangen.