De levensboom

Het leven gaat voort en hult zich in vele vormen, die van rups, cocon en vlinder, van jonge blaadjes en herfstbladeren die weer voedsel voor de bomen worden. Het leven wordt steeds gevolgd door de dood. Maar de dood heeft niet het laatste woord.

 

Linde keek graag naar de prachtige boom in de tuin van opa. Het was een boom met fleurige groene bladeren en vol met de heerlijkste vruchten: rood als koontjes, geel als kanaries en oranje als het hart van een prinsesje. Linde en haar vrienden en vriendinnen klommen graag in de boom om hutten te bouwen. De vogels woonden wat hoger en bouwden er hun nesten. Alleen de specht had wat moeite met de boom. Hij wilde er graag zijn holletje in maken, maar de boom was zo stevig dat zijn nekspieren elke avond stijf waren van het kloppen. Dan moest de vrouwtjesspecht hem masseren, maar dat vindt hij wel weer prettig. De boom was al oud. Opa beweerde dat hij er altijd was geweest en dat hij tot in alle eeuwigheid zou blijven staan. Hij noemde zijn boom daarom ‘de levensboom’.

Op een kwade nacht trok er een orkaan over het land. Hij blies het huis van Linde's opa helemaal omver. Ook de sterke levensboom viel met groot geraas om. Nadat de storm was gaan liggen, kwamen er timmerlieden. Zij zaagden planken van de omgevallen boom. De boom was zo groot dat er genoeg planken in zaten voor een nieuw huis voor opa. Linde vond het een mooi huis. Maar ze was toch een beetje verdrietig, omdat de levensboom er niet meer was. Opa keek haar aan en glimlachte: ‘Hij is er wel. Ik woon er nu toch in!’

De jaren verstreken. Opa stierf. Linde trouwde en kreeg een zoontje, Kaj. Ze gingen wonen in opa’s huis. ‘Wij wonen in de levensboom,’ legde ze Kaj uit en vertelde hoe het huis was gebouwd met het hout van die mooie boom van vroeger. Ook de houtwormen hielden van het hout van de levensboom. Ze knaagden het huis langzaam kapot. Na verloop van tijd waren de planken zo aangetast, dat ze moesten worden vervangen door andere. Wat moest er met de aangevreten planken van de levensboom worden gedaan? Linde besloot de oude planken te verkopen aan een papierfabriek.

Het papier dat van de planken van de levensboom was gemaakt, werd gekocht door een boekdrukker. Hij liet er mooie boeken van maken met wijze spreuken. Ook Linde gaf hij zo’n boek. Ze las er graag in en zei tegen Kaj: ‘Kijk, dit boek, dat is nu de levensboom.’ Dat vond Kaj gek. Dit was een boek, geen boom. Maar hij merkte nog iets gekkers. Dat gebeurde toen hij groter was geworden en het boek van de levensboom kon lezen. De wijze woorden in het boek sprongen bij het lezen soms zomaar over naar Kajs hart. En zo stonden die wijze woorden niet alleen in het boek van de levensboom, maar ook in zijn hart gedrukt.

Er verstreken weer vele jaren. Linde was gestorven. Kaj was al oud geworden. Maar de wijze woorden van de levensboom had hij niet vergeten en leefden nog steeds in zijn hart. Kaj bedacht dat hij iets met die woorden wilde doen, iets moois. Als hij nu eens een vruchtboom zou planten? Zijn buren lachten hem uit: ‘Het duurt heel lang voordat je boom vrucht zal dragen. Je zult nooit van de vruchten van de boom kunnen genieten.’ De oude Kaj glimlachte. ‘Maar mijn kinderen wel en mijn kleinkinderen en de merels en de spechten.’ Hij plantte de boom. Hij groeide uit tot een stevige boom met fleurige groene bladeren en vol met de heerlijkste vruchten: rood als koontjes, geel als kanaries en oranje als het hart van een prinsesje. De kinderen en de kleinkinderen van opa Kaj begonnen van de boom te houden. Evenals de vogels en zelfs de specht. Na een tijd waren er mensen die beweerden dat die boom er altijd al had gestaan. En dat hij tot in eeuwigheid zou blijven bestaan. Hij werd daarom wel ‘de levensboom’ genoemd.