De geluksmachine

Als Guus, Gijsbert en Godebald nadachten, dan kraakten hun hersens. Ze kraakten zo luid dat mens en dier wakker werden. Ook de koning kreeg er pijn in zijn oren van. ‘Die herrie is niet goed voor uw koninklijke gezondheid,’ had zijn lijfarts gezegd. ‘Meer nog,’ voegde hij er plechtig aan toe: ‘Guus, Gijsbert en Godebald vormen een gevaar voor de volksgezondheid.’ Dat klonk erg deftig en ernstig en zwaarwegend. Daarom besloot de koning de drie broers weg te sturen.

Ze gingen ver weg in het bos wonen. Treurig zaten de drie broers bijeen op een bankje. Hun knappe hoofden ratelden nog steeds. Ze keken elkaar aan en zeiden tegelijk: ‘Wij voelen ons ongelukkig!

Net toen Gijsbert en Godebald op het punt stonden in snikken uit te barsten, klonk er een luid gekraak vanuit het hoofd van Guus. Hij sprong op en riep uit: ‘Laten wij dan zelf zorgen dat wij weer gelukkig worden!’ Op de konen van Gijsbert en Godebald verschenen blosjes. ‘Laten we het geluk gaan maken!’ stelde Gijsbert stralend voor. ‘Ja, laat ons een geluksmachine bouwen!’ juichte Godebald. Verheugd over dit knappe plan maakten de drie broers een rondedansje en gingen daarna aan de slag.

‘Ik,’ zei Guus, ‘ik heb onze machine zo gemaakt dat hij alle ijsjes kan maken die wij willen. Aardbeienijs, vanille, ijs met bananensmaak, wat je maar wenst.’ De drie broers gingen het meteen uitproberen. Niet lang erna rolden ze ziek over de grond, groen van misselijkheid.   

Wat later nam Gijsbert het woord. ‘Ik, ik heb iets veel beters. Ik heb onze machine zo gemaakte dat hij het weer kan veranderen.’ Gijsbert drukte op een blauw knopje en meteen begon de zon te schijnen. Godebald werd boos, want hij had net sla in de moestuin gezaaid. ‘Ik zeg je, ik, ik wil dat het gaat regenen voor mijn plantjes!’ Hij drukte op een ander blauw knopje en de eerste druppels vielen al. ‘En ik dan, ik heb al jaren niet geschaatst,’ riep Guus, ‘ik zeg je, ik, ik, ik wil nu eindelijk wel eens schaatsen!’

Nu nam Godebald het woord: ‘Ik, jawel ik, ik in hoogsteigen persoon, ik heb de machine zo gemaakt dat hij alles van goud kan maken.’ Godebald drukte op een groene knop en alles om hen heen veranderde in goud: hun huisje, slaplantjes, de bomen, de eekoorns, de bosuilen ...’ ‘Ik ben rijk!’ riep Guus. ‘Ik ook,’ riepen de andere broers. Maar al gauw werden ze stil. Hun brood was ook van goud geworden. Wat moesten ze nu eten?

‘Ik, ik, ik had die machine niet zo stom gebouwd,’ sprak Guus boos. ‘Ik, ik, ik, ik had wel betere plannen,’ mokte Gijsbert. ‘Ik, ik, ik, ik, ik ben de beste en heb verreweg de beste plannen,’ riep Godebald kwaad. Na verloop van tijd merkten ook de broers dat ze alleen nog maar ‘ik’ konden zeggen. Met elkaar praten lukte niet meer. Guus, Gijsbert en Godebald zijn ieder verhuisd naar een onbewoond eiland. Hun hoofden kraken nog en ze kunnen alleen maar ‘ik’ zeggen. De enige die dat horen zijn de vissen. Die vinden dat zo verbazend dat ze er wijselijk het zwijgen toe doen.