De engel die niet welkom was

(langer kerstverhaal, geschikt voor een kerstspel)

I In de winkelstraat

Er was eens een engel die naar het kerstfeest moest. Hij verwachtte er nogal wat van, eigenlijk heel wat en zelfs nog een beetje meer. Maar wát dat ‘wat’ was, wist hij niet. Een kerstfeest had hij nog nooit meegemaakt. Vandaar dat hij nieuwsgierig over de aarde zweefde op zoek naar het kerstfeest.

Beneden zich zag hij een winkelstraat vol met mensen, auto’s en natuurlijk winkels. De etalages zagen er wonderschoon uit. De engel zag er zilveren sterren liggen, kerstballen en kerststallen, kaarsen in alle soorten en maten en geuren en kleuren,. Hier moest het kerstfeest zijn. De engel keek zijn ogen uit.

‘Hé, kun je niet uit je ogen kijken, je staat in de weg!’ Een onaardige stem van een nog onaardigere vrouw toeterde in zijn oren. Maar de engel liet zich niet zomaar wegjagen. Hij schraapte zijn keel en zei: ‘Zie, ik verkondig u grote blijdschap, een Kind is ons geboren…’ De vrouw snauwde dat hij weg moest gaan met zijn kerstboodschap, omdat de mensen kerstboodschappen moesten doen. Ze wilden straks rustig kerst kunnen vieren en hadden het daarom nu heel druk. En dat er een kind geboren was, was mooi, maar de volwassen mensen in de winkelstraat hadden met kerst belangrijkere zaken aan het hoofd.

De engel liep teleurgesteld weg en ging op een bankje zitten. Was hier nu het kerstfeest? Of zou het ergens anders zijn? Luister … in de verte klonk muziek. Zou daar het kerstfeest zijn?

 

II In het paleis

De engel strekte zijn vleugels en vloog de winkelstraat uit. Hij vloog in de richting van de muziek. Het werd een lange tocht, over zeeën en meren, over goede tijden en slechte tijden. Maar dat wist de engel niet, want het was donker. Totdat hij een paleis zag met wel honderd verlichte vensters. Daar kwam belgerinkel vandaan. Kerstklokjes? De engel vloog door een venster naar binnen. Hij werd meteen in zijn kuiten gebeten door een hond met een belletje om zijn nek. Daar kwam dat geluid dus vandaan. ‘Dat is ook geen hoffelijke begroeting!’ zei de engel verontwaardigd. ‘Ik ben anders wel de hofhond’, zei de hond, ‘en ik ben ook nog de waakhond van koning Herodes. Ik denk dat hij je vier dagen in de gevangenis stopt, omdat je zomaar het paleis binnenvloog, misschien wel vijf, en op water en brood natuurlijk. Kom maar eens mee, engeltje.’

De engel werd door de hofhond naar koning Herodes gebracht. Nog voor de koning iets kon zeggen, zei de engel: ‘Zie, ik verkondig u grote blijdschap, een Kind is ons geboren…’ ‘Dus toch!’ riep Herodes, ‘pas kwamen er drie wijzen uit het Oosten met het zelfde verhaaltje.’ ‘Zie je wel’, zei de engel, ‘het Kerstkind is geboren en ik ben op zoek naar het kerstfeest. Is het hier?’ Herodes keek hem met een donkere blik aan: ‘Hier in elk geval niet. Die wijzen moeten nog altijd terugkomen om me te vertellen waar dat mormel zit. Ik houd niet van kinderen, zeker niet van Kerskinderen. Ze mochten eens op mijn troon willen gaan zitten.’

‘Jammer’, zei de engel. ‘Inderdaad’, zei Herodes, ‘jammer dat je zes dagen in de gevangenis moet, op water en brood natuurlijk. Zomaar zonder vergunning het paleis binnenvliegen wordt zwaar bestraft.’

Maar voor de dienaren van de koning de engel naar de gevangenis konden brengen, strekte hij zijn vleugels en vloog weg door een venster. Nee, hier was het kerstfeest niet. Zou het ergens anders zijn? Luister… in de verte klonk muziek. Zou daar het kerstfeest zijn?

 

III Gevallen

De engel vloog in de richting van de muziek. Hij tuurde in het donker naar beneden, maar hij zag niets. En al helemaal niet de hoge boom voor hem... Boem! De engel botste er hard tegen aan en dwarrelde bewusteloos naar beneden. Daar lag hij, neergestort op een onbekende en vooral harde weg. Een oude zwerfster zag hem liggen. ‘Kijk nou, een dooie engel!’ Er kwamen mensen aangelopen. Ook drie kamelen stopten, met daarop drie wijzen uit het Oosten. Ze stapten af en onderzochten de engel. ‘Hij ademt nog’, zei de eerste wijze. ‘Hij beweegt nog’, zei de tweede wijze. ‘Dus hij leeft nog’, zei de derde. Je ziet, het waren echt wijze mannen. Maar dat niet alleen, ze waren ook erg aardig. Hoe ik dat weet? Omdat ze de engel op een kameel hesen en naar een dokter brachten.

Terwijl de dokter de engel onderzocht, deed hij zijn ogen open. Hij was nog wat versuft en wist niet waar hij was en wat er gebeurd was. Maar hij wist wel wat hij zeggen moest: ‘Zie, ik verkondig u grote blijdschap, een Kind is ons geboren…’ De dokter begreep er niets van, maar de wijzen wel. ‘Wij zijn toevallig op zoek naar dat Kind. Ga maar met ons mee, de ster achterna, dan kunnen we samen kerstfeest vieren.’

Ze vroegen aan de dokter hoeveel ze hem moesten betalen voor zijn diensten. ‘Och, geef maar wat wierook, mirre ende goud,’ antwoordde hij. ‘Dat kan niet, want dat is bedoeld voor het Kerstkind’, antwoordden ze. ‘Geef dan maar jullie mooie gewaden,’ zei de dokter. De wijzen uit het Oosten vertrokken, in hun ondergoed. De engel mocht bij hen achterop zitten. In de verte klonk muziek. Zou daar het kerstfeest zijn? De ster wees de weg.

 

IV In de stal

De wijzen op hun kamelen en de engel achterop reden achter de ster aan. Hij stopte in een klein dorpje dat Bethlehem heette. Er klonk nu van heel dichtbij muziek. Het leek uit de buurt van een herberg te komen. De wijzen en de engel gingen erheen. Ze vroegen of ze er konden overnachten, want ze waren moe van de reis en de engel had nog een beetje hoofdpijn. De herbergier zag de wijzen in hun ondergoed en de engel vol blauwe plekken en schrammen. Zulke armzalige vreemdelingen wilde hij niet in zijn deftige herberg hebben. ‘Er is geen plaats in de herberg’, zei hij. ‘Dat weet men al tweeduizend jaar.’ ‘Wij wisten het nog niet’, zeiden de wijzen en de engel, ‘waar kunnen we dan uitrusten?’ ‘Ga maar naar de stal’, antwoordde de herbergier, ‘daar zit nog meer vreemd volk. En nu opgehoepeld, want het is hier deftig en duur en druk en heel erg dicht voor jullie.’

De wijzen en de engel gingen naar de stal. Er kwam muziek vandaan. Ze openden de deur en zagen een heel engelenkoor dat blij stond te neuriën. Ze zagen ook herders. Die neurieden ook een beetje, al konden ze er niet veel van. Maar ze konden wel heel eerbiedig kijken. Ze keken naar een vrouw en een man en naar een kind in een kribbe. De ogen van de engel lichtten op en hij begon: ‘Zie, ik verkondig u grote ...’ De vrouw keek op en zei: ‘... grote blijdschap, een Kind is ons geboren… Ik had het al eens eerder gehoord. En het is waar. Kijk maar. Hier is ons kind, het Kerstkind.

De wijzen en de engel waren welkom. Iedereen was hier welkom. De engel ging op de grond liggen om uit te rusten van zijn lange zoektocht naar het kerstfeest. Hij was zo moe, dat hij al snel insliep. Jozef legde hem naast het Kind in de kribbe en Maria dekte hem liefdevol toe. Het engelenkoor zong: ‘Ere zij God’. Hier was het kerstfeest.