De bloemenkweker uit Naïn

Het verhaal 'De bloemenkweker uit Naïn' is een fantasie over het leven van de opgewekte jongeling (Lucas 7,11-17) na zijn terugkeer in het leven. De nadruk ligt op de verwondering en de vreugde als reactie op het mysterie van het leven en de overwinning op de dood.

 

Er bestaat een bijzonder verhaal, dat zo bijzonder is dat het eigenlijk in geen boek kan staan. Toch staat het in een boek, dat dan ook een bijzonder boek is: de Bijbel. Het verhaal gaat over een dode jongen. Hij was de enige zoon van een arme weduwe. Jezus was zo met hen begaan dat Hij de jongen tot leven wekte. Wat is er later eigenlijk van die jongen uit Naïn geworden?

Zoweh, zo heette die jongen uit Naïn, hield van de heuvels, de vogels en van voetbal. Maar vooral hield hij van bloemen. Eenmaal groot geworden werd hij bloemenkweker. De mensen kochten graag bloemen bij hem, omdat ze kleurig waren - dat hadden de vrolijke mensen graag, omdat ze lang goed bleven – dat hadden de zuinige mensen graag en omdat de mensen er blij van werden – dat hadden de verliefde mensen graag.

Toen Zoweh een tijdje bloemenkweker was, verlangde hij ernaar een bijzondere bloem te kweken: een bloem die zo speciaal was dat alle mensen er plezier aan zouden beleven. Zoweh ging naar de wijste vrouw van het dorp. Hij vertelde zijn wens. De wijste vrouw van het dorp peinsde lang. Nadat er een diepe denkrimpel op haar voorhoofd was verschenen, sprak zij: ‘Gebruik het grootste dat je hebt, leg dat in je nieuwe bloem.’ Wat was het grootste dat hij had? Zoweh wist het: ‘Mijn beroemdheid! Ieder kent mij, doordat ik ooit dood was en nu weer leef.’ Zoweh legde zijn beroemdheid in zijn nieuwe bloem. En kijk, het werd een bloem op een hoge steel. Zoweh was eerst heel tevreden. Maar al gauw kreeg hij het gevoel dat er iets ontbrak. De bloem was wel hoog, maar zou iedereen er plezier aan beleven?

De volgende dag ging hij naar de wijste vrouw van het land. Hij legde ook haar zijn wens voor. Nadat er twee diepe denkrimpels op het voorhoofd van de wijze vrouw waren verschenen, sprak zij: ‘Leg niet het grootste maar het allergrootste dat je hebt in je nieuwe bloem.’ Wat was het allergrootste dat hij had? Zoweh wist het: ‘Mijn verbazing! Ik verbaas me erover dat ik ooit dood was en nu weer leef.’ Zoweh legde zijn verbazing in de nieuwe bloem. En kijk, het werd niet alleen een bloem op een hoge steel, maar nu werd de bloem zelf ook heel groot. Er bestond geen bloem zo hoog en groot. Zoweh was heel tevreden. Maar hoe langer hij naar zijn nieuwe bloem keek, hoe meer hij het gevoel had dat er iets ontbrak. Deze bloem was wel hoog en groot, maar zou daardoor iedereen er plezier aan beleven?

De volgende dag ging hij naar de wijste vrouw van de wereld. ‘Hoe kan ik een bloem kweken die zo bijzonder is dat alle mensen er plezier aan beleven? Nadat er drie diepe denkrimpels op haar voorhoofd waren verschenen, sprak zij: ‘Leg niet het grootste en ook niet het allergrootste dat je hebt, maar leg het mooiste dat je in je hebt in je nieuwe bloem.’ Wat was het allermooiste dat Zoweh in zich had? Hij keek om zich heen en zag de heuvels, de vogels en de kinderen die balden op het plein. Hij keek omhoog en zag de zon. Haar warme gloed maakte dat er een lach in zijn hart opwelde. Toen wist Zoweh het: de lach, dat was het mooiste in hem. Nadat zijn lach in de bloem te hebben gelegd, was dit niet alleen meer een hoge en grote bloem, het was ook een bloem die leek op de zon met haar gouden stralen. Zo ontstond de bloem die ieder kent: de zonnebloem. Iedereen die deze grote zonnige bloem ziet staan, voelt een lach in het hart en beseft dat het leven een geheim is.