Wachten*

De sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden. Langzaam smolten ze op het vensterglas. De gevangenen in hun houten barakken keken ernaar. Hoe lang zaten ze hier al? Twee jaar, drie jaar? Wat ging de tijd langzaam. Wanneer zouden ze ooit naar huis mogen? Niemand wist het. Zolang de wrede koning aan de macht was, zouden zij hier verkommeren.

Eerst hadden ze gehoopt dat het allemaal niet zo lang zou duren. Ze hadden verwacht dat de koning spoedig zou worden weggejaagd. Maar er gebeurde niets. Hun hoop leek op een kaarsvlammetje dat steeds kleiner werd en gaandeweg uitdoofde.

Behalve bij Iwan. Aan zijn grote grijze baard kon je zien hoe oud hij al was. De oude grijsaard bleef zeggen dat er eens een einde aan hun gevangenschap zou komen. ‘Wacht maar’, zei hij. ‘We moeten het uithouden en geduld hebben.’ Eerst geloofden ze Iwan nog. Maar naderhand begonnen ze grappen over hem te maken. De oude dwaas! Wie geloofde nu nog werkelijk dat ze ooit vrij zouden komen? Niemand die tussen de vier hoge, dikke muren was opgesloten, zou ooit kunnen ontsnappen.

Ook Iwan niet. Hij stierf zonder dat de bevrijding was gekomen. De oude man had tevergeefs gewacht. Maar Iwans dood deed de gevangenen meer verdriet dan ze hadden gedacht. Hij was de enige die de moed niet had opgegeven. Ze zouden zijn twinkelende ogen en troostende woorden missen. Iedereen kwam naar zijn begrafenis. Iwan had gewild dat ze hem bij de muur zouden begraven. Er werd een dennenboompje bij zijn graf geplant. Dat had Iwan nog heel nadrukkelijk gevraagd vlak voordat hij stierf.

De jaren gingen voorbij. Het dennenboompje groeide. De gevangenen keken er vaak naar. Dan herinnerden zij zich Iwan, die daar begraven lag. De groene takken gaven een beetje kleur in de strenge winter als de sneeuw alles bedekte. In de lente zaten er vogels in de dennenboom. En toen hij hoog genoeg was, bouwden zij er hun nesten in.

Maar wat niemand zag, gebeurde ondergronds. De wortels van de dennenboom groeiden en werden ieder jaar groter en sterker. Zij groeiden onder de muur door en drukten deze een klein beetje omhoog. Daardoor kwamen er scheuren in de muur. Eerst hele kleine maar door het water en de vorst werden de scheuren dieper en groter. De muur werd daardoor langzaam maar zeker zwakker. Steeds zwakker.

Op een nacht vroor het dat het kraakte. Het kraakte werkelijk! De gevangenen hoorden een luid gekraak. Er volgde een doffe dreun. Ze liepen naar het venster en zagen tot hun verbazing dat er bij de dennenboom een stuk gevangenismuur was ingestort. Ze hoefden niet lang na te denken. Dit was hun kans! Ze haastten zich naar buiten voor de bewakers zouden komen. Eén voor één glipten ze door het gat in de muur. Zo verdwenen ze de donkere nacht in, de vrijheid tegemoet.

Eén van de gevangenen bleef nog even bij de dennenboom staan. Hij plukte er een takje af. Toen rende hij weg. Het heeft lang geduurd, maar nu is hij thuis. Dat takje van de dennenboom heeft hij nog. Hij bewaart het heel zorgvuldig. Het takje herinnert hem aan de oude Iwan. Hij had toch gelijk gekregen: blijf wachten en verlies de hoop nooit.

 

(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 11-12)