Theologische biografie

Nieuwsgierig naar mensen en nieuwsgierig naar God

(verschenen in: Met Passie, Jong, theoloog en predikant, 13 portretten, Kampen, 2004)

 

Oorsprongen

Tussen weilanden en kassen groeide ik op. Een kaal gebied met lange, vooral rechte lijnen. Terugkijkend op mijn leven tot nu toe zijn die ook te onderscheiden. Niet alle lijnen zijn overigens even recht. Er zijn krommingen en knikken zichtbaar, waarvan ik er enkele begrijp en heel wat nog niet. Niettemin tekenen er zich enkele rechte lijnen af die vanuit mijn jeugd naar mijn bestaan en passies als predikant lopen.

Ik groeide op in een hecht gezin waarin kerk en geloof vanzelfsprekend waren. Mijn ouders leefden het geloof voor. Ik zag dat het hun houvast gaf in een aantal trieste periodes vanwege sterfgevallen in onze familie. Hun geloof had ook te maken met een sobere, eerlijke manier van leven. De kerkdiensten onderging ik als een plichtmatige sleur. Maar wel was mij al vroeg duidelijk: het gaat daar ergens over. De predikant bij wie ik catechisatie had, ds. J.A. Bos, wist dat ook over te brengen. Hij was een man met een warm hart voor mensen en een open geest voor de vragen van jonge mensen zoals ik destijds.

Die vragen namen toe bij het opgroeien. De vraag die het scherpst in mijn ziel werd gekerfd, was de vraag naar het lijden: waarom moest een nichtje van mij, 19 jaar oud, aan leukemie sterven? Ik besloot in die tijd zelfs op te houden met geloven. ‘Of God bestaat niet of het is een rotgod’, zo formuleerde ik het destijds. In de loop van een paar maanden kwam het geloof toch weer terug. Al is de vraag tot op heden gebleven. Een echt afdoende antwoord heb ik er nog niet op gevonden.

Trouwens, er waren meer vragen die me bezighielden. Bestaat God? Hoe is de verhouding van geloof en wetenschap? Schepping of evolutie? Kan God ingrijpen in de wereld? Deze vragen werden vooral opgeworpen door mijn contacten met vrienden van niet-kerkelijke huize. Vooral in mijn eerste studiejaar aan de universiteit – ik was begonnen met geneeskunde – kwamen deze vragen intens aan de orde. Eén studiegenoot was katholiek en had een theologiestudie achter de rug. Een andere was atheïst. Tijdens een gezamenlijk verblijf in het klooster de Achelse Kluis spraken we veel over leven en geloven. Ik merkte hoe weinig ik wist. Vooral mijn atheïstische vriend liet mij in de discussies alle hoeken van het klooster zien. Ik wilde meer weten want intuïtief wist ik dat geloof geen onzin was.

 Dat had ook te maken met nog een andere ervaring die een beslissende religieuze rol speelde in mijn jeugd. Ik maakte in 1975 deel uit van een werkgroepje dat de kerstviering op de middelbare school zou voorbereiden. Dit groepje stond onder leiding van onze godsdienstleraar, Chr. Streefkerk. Hij stelde voor om de viering vorm te geven in de geest van Taizé, een protestantse kloostergemeenschap in het Franse Bourgondië. In dat kader, gingen wij er een lang weekend heen. Het ondergaan van de liturgie en de mystiek daar raakte mij diep. Als geheide ‘bèta’ proefde ik de werkelijkheid van God, naast en in de tastbare, zichtbare en meetbare ‘harde’ realiteit, als een subtiele, stille mij overstijgende tegenwoordigheid. Ik kan mij nog herinneren hoe ik de week erop van mijn stuk gebracht bij een biologieles zat. Ik wist zeker dat er ‘meer’ was dan de molecuultjes.

Deze lijnen liepen toe op mijn beslissing om na het behalen van mijn propedeuse geneeskunde theologie te gaan studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Deze beslissing bracht mijn levensloop in het spoor van kerk en theologie. Er zijn momenten dat me dat spijt: ‘Ik wou dat ik een echt vak had geleerd.’ Maar als ik het over mocht doen, zou ik er vermoedelijk toch weer voor kiezen. Theologie omvat een veelkleurige waaier aan aandachtsgebieden, veelkeurig als het leven zelf. Dat past bij mijn karakter: niet dat van specialist, meer dat van een alleseter, nieuwsgierig naar veel facetten van leven en geloven. Theologie heeft voor mij de weg geopend naar uiteenlopende aandachtsvelden waar ik met mijn verlangens en passies graag vertoef.


Nieuwsgierig naar mensen

Ik ben nieuwsgierig naar mensen. Daarom heb ik er bewust voor gekozen om gemeentepredikant te worden. Hoezeer theologie mij ook interesseert, ik zou mijn leven niet willen slijten aan een theologische faculteit. Ik beleef het als een voorrecht intens met mensen te kunnen omgaan, in hun grandeur en misère, nogal eens op knooppunten in hun leven. Soms bestaan contacten uit prettig keuvelend koffiedrinken met de ellebogen op de keukentafel. Vaak moet er alleen maar wat geregeld worden. Het kan ook gebeuren dat een gesprek door de alledaagse oppervlakkigheid heenzakt en een ontmoeting wordt in het heilige der heiligen van iemands leven. Dat zijn de mooiste momenten in het pastoraat. Zowel mijn gesprekspartner als ik ondergaan de helende waarde van authentiek contact.

Ik beschouw mijzelf niet als hulpverlener al kan mijn rol in sommige contacten daar wel eens op gaan lijken. Ik ben daar niet op uit. Een predikant is er ook niet voor opgeleid. In mijn ogen is een pastor eerder een, zoals ik het eens fraai verwoord hoorde, ‘non-practical (wo)man’. Dat is een ‘gevormd’ mens die beschikbaar is voor ontmoeting met andere mensen en dat buiten de kaders van de professionele hulpverlening. Er is niets mis mee dat mensen in hulpverlening de rol toegemeten krijgen van cliënt of patiënt tegenover de rollen van arts of therapeut binnen een kader van doelen, protocollen en therapieën. Mijns inziens heeft pastoraat echter de kans een ander kader te bieden. In pastoraat staat wat mij betreft niet hulpverlening maar ontmoeting voorop. Elke pastoraal contact dat wordt aangegaan is een sprong in het onbekende. Een bepaald nut is van tevoren niet duidelijk. Authenticiteit, oprechte interesse, verwondering en aanvaarding ten aanzien van het verhaal van iemands leven vormen onderdeel van de pastorale houding. Het doel ervan is niet een welomschreven functie of product, wel de mogelijke zegen van zuivering of heling die ons in het contact toevallen.

Mijn motivatie voor het werk in de gemeente is mij vooral helder geworden tijdens mijn vijfjarige verblijf in Chili. Ik genoot daar van het doceren aan een theologische opleiding. Maar in de bezoeken aan studenten in hun gemeentes werd me steeds duidelijker dat de gemeente de plek is waar het spreken over God leeft, groeit en gepolijst wordt. Niet dat academische theologie onbelangrijk is, integendeel. Maar de gemeente vormt de frontlijn van de ontmoeting van theologie en cultuur, zij vormt het criterium voor wat slijtvaste en weggooitheologie is, daar wordt theologie geleefd.

 ‘Mensen zijn het verhaal van God.’ (E. Schillebeeckx) Deze overtuiging inspireert mij in mijn werk als predikant en geeft mij inspiratie voor mijn inzet voor de kerk. Ik kom mensen tegen die mooier zijn geworden door hun geloof. Met respect herinner ik me één van die grijze dames ‘met een tasje’ waarvan er velen in de kerk zitten. Ik kwam er achter dat zij twee jaar een aan harddrugs verslaafde zoon van vrienden had gehuisvest. Mede dankzij haar was hij ervan afgekomen. Ik zou ook heel wat kunnen vertellen over een oude man bij wie ik met plezier op bezoek ging. Het interieur van zijn huis was sinds de vijftiger jaren niet veranderd, zijn hondje was dikkig en kalend, de koffie was van zeer gemiddelde kwaliteit. Maar in zijn huis heerste vrede, vriendelijke eenvoud zonder pretenties. Hij ‘viel met zichzelf samen’. In mijn herinnering lopen nog heel wat meer van zulke mensen rond. Zij zijn voor een belangrijk deel gevormd door hun omgang met God. De kerk is een kostbare plek mede door dit soort mensen: ‘getuigen van de Barmhartige’. Natuurlijk pretendeer ik niet dat er alleen binnen de kerk zulke mensen te vinden zijn. Ook buiten de kerk zijn er prachtige mensen. En binnen de kerk kom je soms secreten tegen. Toch meen ik dat de kerk bijdraagt aan het mooier worden van mensen. ‘De christelijke juffrouw Bakels heeft misschien wel een bitsere tong dan de ongelovige Dirk Flipse. Op zichzelf is dat geen teken dat het christelijk geloof niet werkt. De vraag is wat voor tong juffrouw Bakels zou hebben als zij geen christen was en hoe Dirk zou zijn als hij christen werd.’ (C.S. Lewis)


Oude teksten en de mensen daarachter

Ik ben niet alleen nieuwsgierig naar mensen, ik ben ook nieuwsgierig naar God. Het eerste lijkt mij een voorwaarde voor het tweede. Immers, mijn eigen ervaringen van God konden me alleen bewust worden doordat anderen mij over Hem vertelden. Dankzij de verhalen van mijn ouders, de juffrouw en de meester op school, gemeenteleden en anderen kwam ik God op het spoor in mijn eigen leven. Ook door verhalen in de Bijbel. De daarin neergeslagen ervaringen en inzichten van Israël en christenen uit de eerste eeuw tonen hoe deze mensen Gods aanwezigheid beleefden. Vandaar dat ik mij jarenlang intensief heb beziggehouden, in onderzoek en onderwijs, met de Bijbel, vooral het Oude Testament.

Mijn proefschrift had de totstandkoming van een oudtestamentisch bijbelverhaal (het verhaal van Hizkia en Sanherib in II Koningen 18,13-19,37) tot onderwerp. Aan het proefschrift lag een oude nieuwsgierigheid ten grondslag: Hoe kwam een bijbelverhaal tot stand? Hoe beïnvloedde de historische omstandigheden de wording van zo’n verhaal? Met mijn onderzoek probeerde ik een bijdrage te leveren aan een in de jaren ’70-’80 brandende kwestie. Het ging, in grote lijnen, om de vraag of oudtestamentische verhalen in één keer waren gecomponeerd – een stelling die door de ‘Amsterdamse School’ werd verdedigd – of dat zij in verschillende stadia waren tot stand gekomen, dat wil zeggen door achtereenvolgende uitbreidingen van een kernverhaal – een stelling die meer klassiek mag heten. Ik paste een door prof. E. Talstra voorgestelde methode toe door vooral te letten op het taalgebruik binnen de tekst. Elke periode kent haar taalkundige eigenaardigheden. Taalgebruik kan dus een indicatie zijn voor de periode waarin een tekst is geschreven. Minutieus onderzoek van de tekst – een waar monnikenwerk – leverde het inzicht op dat het verhaal uit minstens vier lagen bestond. De oorsprong van het verhaal lag aan het begin van de 7de eeuw v. Chr. en het werd bewerkt aan het eind van die eeuw, in de eerste helft van de 6de eeuw en mogelijk ook in de tweede helft ervan. Steeds bleken de bewerkingen verband te houden met de historische ontwikkelingen van die periodes. Het was fascinerend om op mijn bureau de contouren van het wordingsproces van het oude verhaal duidelijker te zien worden; alsof ik de schrijvers van het verhaal in de schaduwen van de geschiedenis kon ontwaren.

Later heb ik me vooral bezig gehouden met het boek Prediker. Ook hier overheerste een historische interesse: Met het oog waarop schreef die oude wijze zijn teksten? Hoe was de historie als verborgen acteur in het boek aanwezig? In een aantal artikelen heb ik geprobeerd aannemelijk te maken dat het boek Prediker een relativering inhoudt van de heersende optimistische, technocratische tijdgeest van de 3de eeuw v. Chr. Tegelijk beoogde het orthodoxe Joodse jongeren aanwijzingen te geven om verstandig en voorzichtig om te gaan met de heersers van toen.

Mijn interesse voor de geschiedenis achter de bijbelverhalen kent een enigszins romantische inslag. Een zomercursus aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem had me de gelegenheid gegeven om mee te doen aan archeologische werkzaamheden. Daarbij kreeg ik de mogelijkheid om het land Israël en ook Egypte te leren kennen. Het rondreizen temidden van zoveel bewaarde oudheid prikkelde mijn fantasie en fascinatie voor de vergane werkelijkheid waar deze van getuigde. H. van Es, docent Oude Testament en Egyptologie, wakkerde deze interesse op kameraadschappelijke wijze aan. Prof. H. Leene, hoogleraar Oude Testament, leerde me daarbij zorgvuldig onderzoeken en deed daarbij vooral mijn zelfvertrouwen groeien. Met name de nieuwtestamenticus Th. Korteweg had invloed op mijn interesse voor het verleden. Hij leerde mij ernaar op godsdiensthistorische wijze te kijken, dat wil zeggen zonder te voorbarig met allerlei theologische overwegingen en conclusies te komen. Respect voor de eigenheid van de oude teksten en de mensen daarachter, daar ging het om.

 

Geloof en cultuur

Niet alleen de ervaringen en het geloof van mensen van vroeger interesseren mij. Mijn interesse gaat eveneens uit naar vragen rondom geloof van hedendaagse mensen. Hun vragen zijn tegelijk mijn vragen. Geloof en godsdienst lijken in onze tijd soms oude relicten. Zij bezitten weinig zeggingskracht in een door de natuurwetenschappen gedomineerde cultuur. Harde kennis over harde feiten lijkt de norm voor het weten. Maar dat er ook andere manieren van kennen bestaan, het kennen van het hart - wij kunnen alleen werkelijk kennen wat wij liefhebben, zoals Augustinus al wist - blijft vaak onderbelicht of wordt afgedaan als inbeelding. In diverse publicaties heb ik geprobeerd de verhouding van geloof en wetenschap in kaart te brengen. Beide behelzen volwaardige vormen van kennen, zij het van een ander gehalte en gericht op andere niveau’s van de werkelijkheid.

Vooral de geschriften van de Anglicaanse natuurwetenschapper en geestelijke Arthur Peacocke hebben mij veel geleerd. Met kennis van zaken en een brede visie schetst hij modellen om God en wereld samen te denken. Van het tweeluik natuurwetenschap en geloof weet hij weer één schilderij te maken. En dat op glasheldere wijze; een kwaliteit die ik overigens in veel Engelse theologie bewonder. Trouwens, ook de Nederlandse theologie kent een bijna vergeten periode waarin geloof en cultuur op originele en vaak heldere wijze in verband met elkaar werden gebracht. Ik doel op de ‘moderne theologie’ van de tweede helft van de 19de eeuw. Deze is prachtig beschreven door K.H. Roessingh, de jong overleden Leidse hoogleraar dogmatiek (1886-1925). Op deze theologische richting werd ik in mijn studententijd gewezen door de al eerder genoemde Th. Korteweg en zij heeft mijn theologische interesse tot op heden richting gegeven.

In het debat over geloof en cultuur heeft niet alleen de verhouding geloof en natuurwetenschap mijn aandacht. Ook de waarneming dat oude geloofswaarheden in onze tijd lijken te zijn ‘leeggelopen’, houdt mij bezig. Oude begrippen als verzoening, kruis, zonde, godheid van Christus worden niet meer begrepen. Of zij doen er niet meer toe in een cultuur waarin wij uitstekend voor onszelf hebben leren zorgen. Ook in mijn aderen stroomt die cultuur. Ook ik begreep (en begrijp) soms niets meer van oude inzichten. Zij zijn inhoudsloos geworden doordat hun waarheid vaak niet meer wordt ervaren. En dat is nu juist een kenmerk van onze tijd, dat wij leven in een cultuur waarin wijzelf de betekenis van de dingen willen ondergaan. Niet meer de autoriteit van de traditie maar onze eigen ervaring is de norm voor wat waar mag heten geworden. Mijn vraag gold vooral de betekenis van de kruisdood van Christus. Ik heb mij er daarom enkele jaren in verdiept hopend stof van de oude dogma’s af te kunnen poetsen. Erover schrijven dwong mij om de materie grondig te verkennen. Eerlijk gezegd, ik schrijf eigenlijk meestal voor mijzelf. Zo kwam een boekje tot stand waarin ik de bevindingen van mijn zoektocht in de oude traditie neerlegde. Enigszins tot mijn eigen verbazing ontdekte ik dat het kruis niet voor niets het meest kenmerkende symbool van het christendom is geworden. Talrijke theologische lijnen komen er samen: de onvoorwaardelijke trouw van God aan mensen, de kostbaarheid van mensen, de relativering van de dood, de uiteindelijke nederlaag van het kwaad, de wijsheid van het los durven laten. Deze studie schonk mij een belangrijk stuk van mijn eigen christelijke traditie terug.

 

Wijsheid

In het Oude Testament is sprake van de wijsheidstraditie. Door mijn bestudering van het boek Prediker heb ik er intensief mee kennis gemaakt. Later ontdekte ik dat er ook een wijsheidstraditie in het Nieuwe Testament en de vroegchristelijke theologie heeft bestaan. Bij nadere beschouwing van de evangeliën blijkt Jezus onder meer trekken te vertonen van een wijsheidsleraar. In zijn leer koppelde Hij de oudtestamentische wijsheidstraditie op originele wijze aan profetisch gedachtegoed. Theologie in de zin van wijsheid valt te vinden in vooral de periode van de kerkvaders (de eerste eeuwen van de kerk), theologische tradities in het oosten, het door Augustinus beïnvloede erfgoed in het westen, en de theologie die uit spirituele en mystieke tradities voorkomt. Deze christelijke wijsheidstraditie is een tamelijk onbekend gebied. In deze vorm van theologie gaat het om christelijk geloof als ‘weg’ - een bekende metafoor in de wijsheidstraditie. Wijsheidstheologie probeert het christelijke geloof te doordenken vanuit de vraag naar een praktische levenshouding en erbij horende spiritualiteit. Zulke theologie is werkelijk ‘praktische theologie’. En al ging Luther te ver in zijn waardering ervan, ik mag hem graag citeren op dit punt: ‘Ware theologie is praktisch ... speculatieve theologie derhalve, die behoort in de hel toe aan de duivel.’

De vraag die mij de laatste tijd bezig houdt, is hoe een wijsheidstheologie met het oog op onze cultuur kan worden ontwikkeld. Daarbij is de aandacht breder dan die voor spiritualiteit alleen. Ik vind de groeiende aandacht daarvoor mooi maar tegelijk te beperkt tot vooral de eigen innerlijke band met God. Wijsheidstheologie richt zich op een stijl van christenzijn, waar spiritualiteit de kern van uitmaakt maar die ook gevormd wordt door gerichtheid op de naaste, maatschappelijke betrokkenheid en zoeken naar een zinvolle invulling van het leven van alledag.

 Wijsheidstheologie is geen theologie met afgeronde, gesloten opvattingen. Dat blijkt al uit de vorm van veel wijsheidsliteratuur. Aforismen, spreuken en verhalen zijn hiervoor kenmerkend (denk aan bijvoorbeeld Spreuken, Job, Prediker, de evangeliën, de Didachè, de Navolging van Christus van Thomas a Kempis). De hoorder of lezer wordt erdoor uitgenodigd de vele inzichten op het eigen leven toe te passen. Met name verhalen hebben mijn liefde gekregen. Ik schrijf en vertel graag korte verhalen, vooral verhalen die te denken geven. Maar dat doen bijna alle verhalen van zichzelf al. Veel meer dan theoretische beschouwingen nodigen zij de hoorder uit medespeler te worden binnen de tekst. Zij prikkelen door de aanwezigheid van verscheidene betekenislagen de hoorder tot reflectie. Verhalen roepen beelden op, wekken belevingen op en zijn daardoor vaak helend. Of zoals één van mijn leraren op dit gebied, Jac Vroemen, het uitdrukt: het vertellen van verhalen is een genezende kracht. Vandaar dat ik verhalen schrijf en vertel en als bouwstenen bij uitstek beschouw voor de ontwikkeling van een moderne christelijke wijsheidstraditie.


Ten slotte

Ik hecht eraan te benadrukken dat het mij in geloof en theologie niet gaat om betweterige gelijkhebberij. Daarom als afsluiting een rake relativerende opmerking, mij uit het hart gegrepen, over de plaats van het christendom in de wereld van de Amerikaanse monnik en schrijver T. Merton: 

De strijd van kerkmensen om hun plaats in de wereld te handhaven, door de wereld ervan te overtuigen dat hij hen nodig heeft, is, naar mijn gevoel, een verwarring en een gebrek aan waardigheid, die “de wereld” terecht als belachelijk beschouwt. Wat houdt dat in? Dat “het verwerven van een plaats in deze wereld” de grootste bekommernis van die kerkmensen is. Zij willen onmisbaar zijn en God is de rechtvaardiging van hun verlangen. Mij persoonlijk komt het daarom voor dat de grondslag van de christelijke zending in de wereld er juist in bestaat dat de christen “niet van deze wereld” is. Hij is in de eerste plaats door zijn christelijk geloof bevrijd van de mythen, de afgoderij en de verwarring, eigen aan de wereld. Zijn eerste zending is dus die vrijheid te leven ...’ Deze vrijheid van de wereld lijkt mij één van de meest waardevolle geschenken die het christelijke geloof aan de wereld schenken kan.