Mijn diepste troost


Wat is mijn diepste troost?

(verschenen in: Aarnoud van der Deijl, Stephan de Jong, Anne Marijke Spijkerboer, Doornse Catechismus, Oude vragen, nieuwe antwoorden, Kampen, 2010)

I

De Heidelberger Catechismus - één van de belangrijke, oude leerboeken van het protestantisme - begint met de vraag: ‘Wat is uw enige troost?’ Dat is voor velen in onze tijd een vreemde vraag. In het rijke, moderne Westen hebben wij meestal niet zoveel behoefte aan troost. Troost lijkt iets voor zwakke mensen, maar vaak voelen wij ons sterk. En als we toch troost nodig hebben, dan organiseren wij die zelf: therapieën, kunst, filosofie, vrienden, vakantie, pillen.

Hoe sterk wij ook zijn, niemand ontkomt aan momenten dat het leven ons ontwapent: onze krachten nemen af, vrienden laten ons in de steek, onze rijkdom blijkt geen werkelijke bron van geluk, onze gezondheid neemt af, pillen helpen niet meer, zelfs niet onze diepzinnige gedachten. Soms lijkt alles weg te vallen.

Dan ontdek ik dat niets in de wereld absoluut is. Ook ik niet. Ik ontdek mijn ‘armoede’. En juist deze armoede vormt de toegang tot God. God is wat blijft als alles mij ontvalt. Hij begeleidt mij soms als een vertrouwde nabijheid, soms als een pijnlijke afwezigheid, als een stem die mijn geweten wekt, een geheim tegenover wie mijn woorden verkruimelen, een tegenspraak die mijn gedachten en daden doorkruist, een hand die mijn leven draagt.

Dat geloof stelt mij in staat frank en vrij door het leven te gaan, in het besef dat niets anders het uiteindelijke geheim van het leven is dan God. Mijn diepste troost is het vertrouwen: ik val nooit uit zijn hand.


II

Dat God het uiteindelijke geheim van ons leven vormt, hebben mystici in de christelijke traditie steeds weer ervaren. Zij spreken over God als een werkelijkheid die ons omvat en verre te boven gaat, maar tegelijkertijd nabijer is dan wij onszelf nabij zijn. Diep in onszelf, waar onze diepste verlangens, liefde, angst en pijn schuilen - noem het onze ‘ziel’, ‘innerlijke ruimte’, ‘ware zelf’ - ontmoet God ons en is Hij aanwezig.

‘Waar God, het geheim, in mij woont, daar kan ik thuis zijn, daar ben ik midden in de onveiligheid en ongeborgenheid van de wereld, desondanks gedragen en geborgen.’ (A. Grün)

De diepe verbondenheid met God is de enige werkelijke en onvernietigbare kern van mijn leven. Alles wat mij in de ban lijkt te hebben - bezit, prestaties, angst, zelfs ziekte en dood - blijkt in dat licht allemaal relatief. Doordat ik in God mijn diepste fundament heb gevonden, kan ik vrij staan tegenover al die dingen. In God vind ik mijn hoogste vrijheid.